4. Aan welke knoppen kunnen we draaien?

Als provincie hebben we een aantal ‘financiële knoppen’ waaraan we kunnen draaien. Budgetten, reserves, begrotingssaldi, inkomstenbronnen waarover we kunnen beschikken om onze doeleinden te verwezenlijken. Die schetsen we hieronder.

4.1. Vrij aanwendbare reserve (VAR)

De vrij aanwendbare reserve (VAR) wordt gevuld vanuit het geld dat overblijft op de begroting (het begrotingssaldo) als minder wordt uitgegeven dan verwacht (meevallers vloeien automatisch in de VAR). Een uitzondering is programma 11, waarover is besloten dat het begrotingssaldo in dat programma blijft.

De VAR is bedoeld voor tijdelijke uitgaven en functioneert ook als reserve als in een jaar onverhoopt meer wordt uitgegeven dan voorzien. In de nota weerstandsvermogen is vastgelegd dat de VAR minimaal € 10 miljoen bedraagt. De meest recente financiële ramingen laten zien dat de VAR in 2018 oploopt tot € 37,5 miljoen. Na aftrek van de minimale omvang is er dus een bedrag van € 27,5 miljoen beschikbaar. Er moet wel rekening mee worden gehouden dat dit totale bedrag pas in de loop der jaren beschikbaar komt, doordat het oploopt door voorziene overschotten in de komende jaren. Het bedrag kan dus alleen gefaseerd worden ingezet.

Hieronder is de ontwikkeling van de VAR opgenomen. Het gaat om de in te zetten VAR, de 10 miljoen aan minimale omvang is al van dit bedrag afgetrokken.

VAR

 

 

4.2. Reserve Nuon

De verkoop van de Nuonaandelen in 2009 leverde de provincie een boekwinst op van circa € 1,25 miljard. Dit bedrag is als een bestemmingsreserve toegevoegd aan het eigen vermogen van de provincie (een bestemmingsreserve is een reserve die in principe voor bepaalde doeleinden gereserveerd is. Die bestemming is toegekend door PS en kan ook door PS gewijzigd worden).
Door Uw Staten is besloten om deze middelen in te zetten:

  • voor de Friese investeringsimpulsen;
  • voor Wurkje foar Fryslân;
  • versneld afschrijven van investeringen infrastructuur (balansverkorting);
  • minimale stand van de Nuon-reserve en extra buffer.

Daarnaast wordt € 100 miljoen gereserveerd voor het opvangen van het risico dat een deel van de ingezette Nuon middelen via revolverende fondsen niet allemaal terug zullen komen.
De minimale stand van de reserve Nuon is € 100 miljoen waarmee dit beschikbaar is als weerstandscapaciteit om eventuele tegenvallers zoals aangegeven in de stresstest kadernota 2015 op te kunnen opvangen.

Per saldo resteert nog een bedrag van € 161,4 miljoen. Op dit bedrag ontvangen wij jaarlijks rente. In de structurele begroting is al rekening gehouden met deze rente. Als we een deel van de € 161,4 miljoen in zouden zetten, dan zouden we over dat deel geen rente meer krijgen. Dat betekent dat er dan een structurele bezuiniging op de begroting plaats moet vinden.

Hieronder wordt de stand van de Nuon-reserve weergegeven. Daarbij wordt het onderdeel Wurkje foar Fryslân nader gespecifieerd. Ten opzichte van het overzicht bij de begroting 2015 hebben zich geen wijzigingen voorgedaan.

Bijlage 1.5

4.3. Structurele budgetten

Structurele budgetten worden besteed aan uitgaven die ieder jaar terugkomen. Het beëindigen van die uitgaven is natuurlijk deels mogelijk, maar dit vergt over het algemeen enige tijd. Daarnaast zijn aan die structurele uitgaven door de Staten vastgestelde doelen en resultaten verbonden en zit een groot deel van de structurele middelen vast in wettelijke taken, waar beëindiging niet echt mogelijk is. Kortom, onze bestaande structurele middelen vormen een knop, maar een waaraan slechts tot op zekere hoogte, met voorzichtigheid en met vertraging gedraaid kan worden.

Aan die knop zal echter gedraaid moeten worden bij nieuwe structurele uitgaven, door het uitgangspunt dat besluiten met structurele financiële gevolgen ook structureel gedekt moeten worden. Op dit moment is er geen structurele ruimte beschikbaar. Daarom zal bij nieuwe structurele uitgaven altijd moeten worden bezuinigd op bestaande structurele uitgaven.

De huidige verdeling van structurele middelen over de diverse thema’s, en daarbinnen de verdeling tussen wettelijk vastgelegde en meer autonome structurele uitgaven is terug te vinden in het onderdeel Wat we nu doen.

Verdeling wettelijke en niet wettelijke structurele budgetten stand per 1 januari 2015

tot 5a

 

4.4. Tijdelijke middelen

Naast structurele uitgaven geeft de provincie ook aanzienlijke bedragen uit via tijdelijke budgetten (voor een uitgebreide toelichting op tijdelijke budgetten zie 6.3). Aan tijdelijke budgetten voor de jaren 2015 – 2019 is een bedrag van € 520 miljoen beschikbaar gesteld. Op 1 januari 2015 was hiervan € 267 miljoen nog niet verplicht. Van meerjarige programma’s en projecten is het vaak lastig om in het eerste jaar aan te geven waar het geld over een paar jaar precies aan besteed wordt. Daardoor worden tijdelijke budgetten vaak doorgeschoven. Doorschuiven kan een interne of externe oorzaak hebben waarop de provinciale organisatie al dan niet invloed heeft. Voorbeelden hiervan zijn: benodigde regeling niet op tijd klaar, te optimistische planning, aanvragen komen later binnen, projecten lopen in de uitvoering vertraging op, externe financiering komt niet of later op gang etc.

Zolang middelen niet verplicht zijn bestaat er ruimte om ze aan iets anders uit te geven. Om een budget opnieuw te kunnen prioriteren moeten er geen financiële of juridische verplichtingen op het budget liggen. Ook zal wel rekening moeten worden gehouden met gewekte verwachtingen, bestuurlijk of anderszins. Daarnaast moet in de concrete planning van de uitvoering van een programma of project nog geen rekening gehouden worden met dit budget. Tenslotte is natuurlijk een belangrijke kanttekening dat deze middelen beschikbaar zijn gesteld om door Provinciale Staten vastgestelde doelen en resultaten mee te behalen. Tijdelijke budgetten vormen daarmee in principe een ‘knop’, maar eraan draaien om het geld elders te besteden zal in principe gevolgen hebben voor die doelen en resultaten waarvoor het geld oorspronkelijk bedoeld was.

In onderstaand figuur zijn de tijdelijke budgetten van 2015 verdeeld in verplichte en (nog) niet verplichte tijdelijke budgetten. Het gaat hierbij om budgetten die in financiële zin wel of nog niet verplicht zijn.

Verdeling verplichte en (nog) niet verplichte tijdelijke budgetten stand per 1 januari 2015

tot 4

 

 

 

 

 

4.5. De opcenten

Opcenten zijn een aanvullende eigen belasting die de provincie heft op de motorrijtuigenbelasting. Provincies kunnen, binnen door het Rijk vastgestelde marges, zelf de  hoogte van hun opcenten bepalen. Het wettelijk maximum is in 2015 110,8 punt (percentage bovenop door het rijk geheven motorrijtuigenbelasting). Fryslân hanteert in 2015 een tarief van 94,1 punt. De gemiddelde opbrengst per punt bedraagt €725.000.

4.6. Keuzes in bankieren

Sinds de overgang naar het verplichte Schatkistbankieren mogen er geen nieuwe middelen in obligaties worden belegd. De bestaande obligatieportefeuille mag worden aangehouden tot het einde van de looptijd, maar nieuwe beleggingen dienen plaats te vinden bij de schatkist in Nederlandse staat. De rente van de Nederlandse staat is in de afgelopen jaren steeds verder gedaald waardoor we minder rente ontvangen dan voorheen.

Er zijn twee toegestane mogelijkheden om een beter rendement te behalen, namelijk het lenen aan decentrale overheden of het verstrekken van leningen aan de BNG en de Waterschapsbank. Het lenen aan decentrale overheden levert ten opzichte van schatkistbankieren een 0,25% tot 0,50% hoger rendement op, de tweede mogelijkheid een extra rendement van 2% tot 3%. De beide mogelijkheden worden op dit moment nader uitgewerkt.