2.1. Musea

Het museumaanbod in Fryslân wordt gekenmerkt door een aantal middelgrote musea en een relatief groot aantal kleinschalige musea. In Fryslân zijn, in vergelijking met omliggende provincies, relatief weinig oudheidkamers. In totaal zijn er ruim honderd musea in Fryslân, waarvan er ongeveer zeventig zijn aangesloten bij de Museumfederatie Fryslân. Al jaren is het aantal musea dat aan de eisen van het keurmerk voldoet in Fryslân duidelijk hoger dan in andere plattelandsprovincies.

De staat van musea

In 2013 trokken de ruim 70 musea die bij de Museumfederatie Fryslân zijn aangesloten gezamenlijk ongeveer 870 duizend bezoekers. In 2013 waren er drie musea met meer dan 50.000 bezoekers. Dit waren het Fries Museum, het Natuurmuseum en Tresoar (incl. bezoekers van de studiezaal), alle drie in Leeuwarden. Het nieuwe Fries Museum, dat in september 2013 werd geopend wist de eerste maanden ruim 63 duizend bezoekers te trekken. Musea met bezoekersaantallen tussen de 40 en 50 duizend zijn het Natuurcentrum Ameland, het Planetarium Eise Eisinga in Franeker, het Jopie Huismanmuseum in Workum en Museum Belvédère in Heerenveen. Naast het Fries Museum en het Natuurmuseum in Leeuwarden draagt de provincie financieel bij aan het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek en het Landbouwmuseum in Earnewâld. Deze laatste twee musea hadden respectievelijk 28.000 en 13.000 bezoekers.

Van de grotere Friese musea blijkt het Fries museum het meest bekend te zijn. Bij een enquête waarin de bekendheid van een aantal musea werd gemeten bleek 82% van de respondenten het Fries Museum te kennen. Het Fries Museum wordt bovendien hoog gewaardeerd, bezoekers geven gemiddeld een 8,0 als rapportcijfer. Qua bekendheid staat het Natuurmuseum met 74% op de tweede plaats. Het Scheepvaartmuseum in Sneek en museum Belvedère bij Heerenveen delen de derde plaats met een bekendheid van 55%. Uit een onderzoek naar cultuurparticipatie in Fryslân in 2012 blijkt dat over het algemeen de bekendheid en het bezoeken van musea met het stijgen van de leeftijd toeneemt.

Figuur 2.1.1.     Spreiding musea en bezoekersaantallen 2013

De ontwikkeling van musea

Het totaal aantal bezoekers van de bij de museumfederatie aangesloten musea was met 870 duizend ruim 8% hoger dan in 2012. Dit is vooral te danken aan het Fries Museum dat lange tijd gesloten is geweest vanwege de verhuizing. De ambitie van het nieuwe Fries Museum was om jaarlijks minimaal 100 duizend bezoekers te trekken. Het eerste jaar is dat ruimschoots gelukt want reeds na 8 maanden, in april 2014, werd de 100 duizendste bezoeker ontvangen. Het totale aantal bezoekers van de 70 musea lag in 2013 ongeveer op hetzelfde niveau als in de jaren 2009-2011. De bezoekersaantallen van verschillende musea fluctueren vaak sterk van jaar tot jaar. Incidentele tentoonstellingen, maar vooral ook gezamenlijke activiteiten en evenementen kunnen van grote invloed zijn op het aantal bezoekers.

Figuur 2.8         Ontwikkeling bezoekersaantallen zeventig Friese musea

Figuur 2.1.2.      Ontwikkeling bezoekersaantallen 70 Friese musea

De toekomst van musea

Bij diverse musea is de afgelopen jaren behoorlijk geïnvesteerd in het digitaliseren van de collecties en dat zal de komende jaren nog doorgaan. Door het verbinden van de betreffende databases en het ontwikkelen van gebruiksvriendelijke overkoepelende portals zal de digitale toegankelijkheid van het Friese erfgoed nog verder toenemen. Daardoor zal het aantal ‘digitale bezoekers’ toenemen. Het is niet uit te sluiten dat dit een effect heeft op de ontwikkeling van het aantal fysieke bezoekers. Verder is gebleken dat gezamenlijke activiteiten met een goede public relations zoals ‘Help pake en beppe de vakantie door’ en het museumweekend aantoonbaar meer bezoekers opleveren.

Bronnen

  • Museumfederatie Fryslân, bezoekersaantallen 2004-2013
  • Provincie Fryslân, Kultuerpartisipaasje yn Fryslân (april 2012)

2.2. Media

De regionale Friese media spelen naast hun rol qua nieuwsgaring ook een belangrijke rol in het gebruik van de Friese taal en de Friese identiteit. Aan de hand van marktaandelen wordt de ontwikkeling in populariteit van de regionale radio- en televisiezender Omrop Fryslân gevolgd. De ontwikkeling in oplages van de Friese dagbladen geeft inzicht in het bereik van het gedrukte nieuws. Hierbij dient wel bedacht te worden dat steeds meer nieuws via internet gevolgd kan worden. Lagere oplages zeggen niet direct iets over de nieuwsbehoefte.

De staat van de media

Omrop Fryslân Radio was in 2013 marktleider in Fryslân met een marktaandeel van meer dan 19%. Het bereik was in 2013 op werkdagen tussen 7u en 19u gemiddeld 121.000 luisteraars per dag. Omrop Fryslân tv liet met een marktaandeel van 16% in 2013 alleen Nederland 1 en RTL4 voor zich. Er keken per dag gemiddeld 120.000 Friezen naar Omrop Fryslân tv.

In 2013 kende het Friesch Dagblad een oplage van 14.583 en de Leeuwarder Courant een oplage van 77.857.

Figuur 2.2.1. Marktaandeel (tussen 7u en 19u) Omrop Fryslân Radio 2013

Figuur 2.2.2.      Marktaandeel (tussen 18u en 19u) Omrop Fryslân TV 2013

De ontwikkeling van de media

Het marktaandeel van Omrop Fryslân radio schommelt tussen 2009 en 2013 tussen 19 en 23 %. Het marktaandeel van Omrop Fryslân tv is vergeleken met 2010 (13%) iets gestegen.

Het Friesch Dagblad kent een licht dalende ontwikkeling wat de oplage betreft. Sinds 2008 is de oplage met 10% afgenomen van 16.200 tot 14.500. De oplagecijfers van de Leeuwarder Courant  kennen sinds 2008 een sterkere afname. In 2008 kende de Leeuwarder Courant nog een oplage van bijna 100.000 en in 2013 nog maar ruim 77.000, een afname van 20%.

Figuur 2.2.3. Ontwikkeling oplages regionale dagbladen

De toekomst van de media

Staatssecretaris Dekker werkt in zijn kamerbrief van oktober 2014 op hoofdlijnen de derde fase van zijn beleid voor de komende jaren uit. De staatssecretaris formuleerde voor de regionale omroepen de volgende beleidsthema’s:

  • Versterking van het regionaal media-aanbod, want de Regionale media hebben een verbindende, cultuurdragende rol;
  •  Meer samenwerking tussen de regionale omroepen onderling, met de landelijke omroep en mogelijk met de lokale omroepen. Op deze wijze kan er op bestuurlijk, organisatorisch en technisch terrein efficiency winst worden behaald en is er meer ruimte voor de verhoging van de kwaliteit van het aanbod;
  • het regionale omroepbestel slagvaardiger en efficiënter organiseren, waarbij uiteraard de eigen identiteit van de verschillende regio’s altijd tot uiting moet blijven komen in de programma’s.

In Fryslân wordt er gewerkt aan de gewenste samenwerking in een Fries multimediaal platform, Podium Fryslân. Dit kan zich ontwikkelen tot een Regionaal Media Centrum (RMC).

Definities en bronnen

  • Marktaandeel Radio = marktaandeel op werkdagen tussen 7u en 19u.
  • Marktaandeel TV = marktaandeel op werkdagen tussen 18u en 19u.
  • Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking (ROOSrtv)
  • Omrop Fryslân.
  • Cebuco/NDP Nieuwsmedia.
  • Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, (13-10-2014).
  • Kamerbrief: De toekomst van het publieke omroepbestel. Den Haag, Ministerie van OCW, (13-10-2014).
  • Borging Friese taal in de media (2013). Tijdelijke adviescommissie Hoekstra.

2.3. Kunst en cultuur

Onze provincie kent een culturele traditie van een groot aantal culturele verenigingen. Voor de jongeren zijn de Friese poppodia interessante locaties voor favoriete culturele activiteiten. Wij presenteren gegevens over het aantal geregistreerde professionele kunstenaars (inclusief vormgevers), het aantal koren, muziek- en toneelverenigingen, het aantal concerten op de vier grote Friese poppodia en de bezoekersaantallen van tien bioscopen of filmtheaters in Fryslân.

De staat van kunst en cultuur

In 2013 waren in onze provincie in totaal 696 professionele kunstenaars en vormgevers, onderverdeeld in 496 professionele kunstenaars en 200 vormgevers bij Keunstwurk geregistreerd. Fryslân kende in 2013 516 koren. Het aantal muziekverenigingen was 281 en er waren 143 toneelverenigingen aangesloten bij de Stichting Amateurtoneel Fryslân (STAF). Naast deze toneelverenigingen zijn er nog zo’n 100 niet aangesloten bij de STAF.

De vier grote poppodia in Fryslân verzorgden in 2013 in totaal 404 concerten. Ruim de helft daarvan (53%) vond plaats in Leeuwarden. In totaal trokken deze poppodia in 2013 samen 58.896 bezoekers. Het gemiddeld aantal bezoekers lag daarmee op 146 per concert. Romein Leeuwarden organiseerde het grootste aantal concerten (174) en trok daarmee ook het grootste aantal bezoekers (24.249). Iduna Drachten volgde met 102 concerten en in totaal 17.797 bezoekers. Het Bolwerk Sneek was goed voor 87 optredens met in totaal 11.600 bezoekers. Asteriks Leeuwarden sloot de rij met 41 concerten en 5.250 bezoekers.

In 2013 hebben de bioscopen in Fryslân gezamenlijk 629.000 bezoekers getrokken. Dit leverde en recette op van 5,2 miljoen euro. Landelijk lag het aantal bezoekers op 31 miljoen en de recette op bijna 250 miljoen euro.

Figuur 2.3.1.     Ontwikkeling aantal concerten op de 4 grote Friese poppodia

Figuur 2.3.1. Ontwikkeling aantal concerten op de 4 grote Friese poppodia

 

De ontwikkeling van kunst en cultuur

Het aantal professionele kunstenaars in Fryslân is tussen 2000 en 2013 gestegen van 466 naar 496. Het aantal vormgevers is in de loop der jaren gestegen tot 200, maar daarbij moet worden opgemerkt dat de registratie van deze groep door de jaren heen niet betrouwbaar is. Het aantal koren is in 2013 516. In de periode tussen 2000 en 2013 vertoont het aantal wat fluctuaties en per saldo is er sprake van een lichte daling van 550 naar 516. Het aantal muziekverenigingen is over de periode 2000-2013 vrij stabiel met een dip in 2010. Het aantal toneelverenigingen neemt in de periode 2003-2013 licht toe. Het aantal concerten op de poppodia is in de periode 2000 tot 2013 daarentegen sterk toegenomen van 133 naar 404. Navenant is ook het aantal bezoekers flink toegenomen.

In tegenstelling tot de landelijke ontwikkeling waarbij het aantal bioscoopbezoeken en de recette een geleidelijk groei doormaakt, zien we in Fryslân na 2011 enige teruggang. Een deel van deze afname kan verklaard worden uit het feit dat er in 2012 – in tegenstelling tot andere jaren – geen Noordelijk Filmfestival in Fryslân is geweest vanwege een verhuizing van de organisator ‘Film in Friesland’. Dit evenement trekt normaal gesproken 30.000 bezoekers naar de bioscoop. In 2013 was er wel een Noordelijk Filmfestival en was er sprake van een lichte toename in bezoekers ten opzichte van 2012. Toch is het niveau van 2011 niet weer bereikt.

Figuur 2.3.2.       Ontwikkeling bioscoopbezoek Fryslân en Nederland.

Figuur 2.3.2. Ontwikkeling bioscoopbezoek Fryslân en Nederland.

De toekomst van kunst en cultuur

Het aantal professionele kunstenaars is – ondanks de economische crisis – licht toegenomen. De afname van het aantal koren hangt gedeeltelijk samen met het proces van ontkerkelijking, dat zich al enige decennia voordoet. Bovendien lijkt de belangstelling voor deze muzikale cultuurvorm bij de jongere generaties minder te zijn. Het aantal toneel- en muziekverenigingen is de laatste jaren stabiel gebleven. De aanwijzing van Leeuwarden als Culturele Hoofdstad 2018 zal naar verwachting leiden tot een impuls voor de cultuurparticipatie van bewoners in en buiten Fryslân.

Definities en bronnen

  • 10 bioscopen = Het gaat in 2012 om de volgende 10 bioscopen, filmtheaters, interne filmtheaters en reis- en openluchtbioscopen: De Bios Heerenveen, Filmhuis Heerenveen (intern bij de Bios Heerenveen), Tivoli in Leeuwarden, Cinema in Leeuwarden, CineSneek, Filmhuis Sneek (intern bij CineSneek), de Bios Drachten, Filmhuis Drachten (intern bij de Bios Drachten), Filmhuis Leeuwarden en Movieskoop Heerenveen BV (reis- en openluchtbioscoop). In eerdere jaren betreft het een gelijk of een enigszins kleiner aantal bioscopen en filmtheaters.
  • Keunstwurk (kunstenaars, culturele verenigingen).
  • Friesland Pop (gegevens poppodia).
  • NVB, de Nationale Vereniging van Bioscoopexploitanten

Meer grafieken

  • Ontwikkeling recette bioscoopbezoeken Fryslân en Nederland 2004-2013 (index)

2.4. Friese taal

In januari 2011 heeft er een grote taalmeting plaatsgevonden onder de Friese bevolking. Aan bijna 28.000 Friezen is gevraagd welke taal ze thuis spreken en hoe goed ze het Fries beheersen. De uitzonderlijk hoge respons van ruim 50% geeft aan dat de Friese taal een levendig onderwerp is.

De staat van de Friese taal

Bijna 95% van alle inwoners van Fryslân kan het Fries vrij aardig tot heel goed verstaan, waarvan ruim 60% zelfs heel goed. Slechts 6% van de inwoners verstaat het Fries met moeite of helemaal niet. Driekwart van de inwoners kan vrij aardig tot heel goed Fries spreken. Dit geldt evenzo voor het lezen van Fries, al is binnen die groep het aandeel dat het goed tot heel goed kan kleiner dan bij het spreken. Zowel voor het spreken als het lezen geldt dus dat een kwart van de mensen hier moeite mee heeft of het helemaal niet kan. In tegenstelling tot het verstaan, spreken en lezen van het Fries kan slechts een kleine groep vrij aardig tot heel goed Fries schrijven.

De verstaanbaarheid en spreekvaardigheid verschillen weinig naar leeftijd. Bij de leesvaardigheid en schrijfvaardigheid bestaan er wel verschillen tussen leeftijdsgroepen. Vooral de 50-plussers beheersen dit wat vaker goed dan jongere leeftijdsgroepen. Het beheersniveau verschilt sterk per gemeente. In de gemeenten Dantumadiel, Littenseradiel, Ferwerderadiel en Achtkarspelen wordt het Fries het beste beheerst. In de gemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf, Harlingen en Leeuwarden is het beheersniveau het laagst. De (meestal) gebruikte voertaal in gesprekken tussen partners is voor 45% van Friese bevolking Fries en voor 47% van de Friezen Nederlands. De overige 7% van de bevolking hanteert een streektaal, stadsfries of een buitenlandse taal als voertaal.

Figuur 2.3         Beheersniveau en gebruik Fries in Fryslân in % 2007 en 2011.

Figuur 2.4.1.         Beheersniveau en gebruik Fries in Fryslân in % 2007 en 2011.

De ontwikkeling van de Friese taal

Het beheersniveau van het Fries is in de periode 2007 tot 2011 toegenomen. Zowel de verstaanbaarheid, de spreekvaardigheid, de leesvaardigheid als de schrijfvaardigheid is iets toegenomen ten opzichte van 2007. Vergelijking met eerdere onderzoeken in het verleden naar de taalbeheersing laten een vrij constant beeld zien van de verstaanbaarheid en spreekvaardigheid.

De lees- en schrijfvaardigheid zijn in vergelijking met onderzoeken in 1967, 1980, 1994 en 2007 iets toegenomen.

Figuur 2.4 Aandeel inwoners per gemeente in 2011 dat aangeeft het spreken van de Friese taal naar eigen zeggen goed of heel goed te beheersen.

Figuur 2.4.2.     Aandeel inwoners per gemeente in 2011 dat aangeeft het spreken van de Friese taal naar eigen zeggen goed of heel goed te beheersen.

De toekomst van de Friese taal

Bij de uitreiking van het Fryske Taaltaske aan nieuwe ouders bij de aangifte van geboorte is gevraagd een korte vragenlijst in te vullen. Hierin is gevraagd in welke taal/talen het kind zal worden opgevoed. Dit geeft een indicatie voor het toekomstig Fries taalgebruik. Hieruit blijkt dat van alle in 2008 en 2009 geboren kinderen iets meer dan een kwart geheel in het Fries zal worden opgevoed en bijna een kwart in het Nederlands. Bijna de helft van de kinderen zal worden opgevoed in een combinatie van Fries en Nederlands. De overige kinderen in een andere taal (Bildts, Stellingwerfs, buitenlandse taal). Moedertaal speelt hierin een belangrijke rol. In gezinnen waar beide ouders/verzorgers Fries als moedertaal hebben zal de helft van de kinderen een volledig Friestalige opvoeding krijgen. Wanneer één van de ouders/verzorgers Fries als moedertaal heeft dan zal driekwart van de kinderen in een combinatie van Fries en Nederlands opgevoed worden. In het geval geen van beide ouders Fries als moedertaal heeft zal 16% van de kinderen mede in het Fries worden opgevoed. Een ruime meerderheid (84%) van de ouders is van mening dat een tweetalige opvoeding een positieve invloed heeft op de ontwikkeling van kinderen.

Bronnen

  • Provincie Fryslân, De Fryske taalatlas 2011.
  • Provincie Fryslân, Uitkomsten vragenlijst Taaltaske 2008/2009.

Meer grafieken

 

2.5. Basisonderwijs

Het Centraal Planbureau meldt in zijn ‘policy brief’ van 2011, dat de Nederlandse onderwijsprestaties sinds het begin van deze eeuw dalen, zowel ten opzichte van andere ontwikkelde landen als in absolute zin. Daarnaast heeft het Friese basisonderwijs al enige jaren te maken met een daling van het aantal leerlingen. In Fryslân is het onderwijsbeleid er op gericht om door middel van drietaligheid de kwaliteit van het basisonderwijs te verhogen. Veel aandacht wordt besteed aan de doorgaande leerlijn van kindercentra naar het basisonderwijs. In lijn met deze thematiek presenteren we in deze paragraaf naast gegevens over de ontwikkeling van het aantal basisscholen en de gemiddelde schoolgrootte, ook de ontwikkeling van de percentages zwakke en zeer zwakke basisscholen en tonen we de groei in het aantal drietalige basisscholen en twee- en Friestalige kindercentra.

De staat van het basisonderwijs

Bij de telling van 01-10-2014 telde Fryslân in totaal 445 basisscholen (458 inclusief nevenvestigingen). Fryslân heeft daarmee vergeleken met andere provincies vrij veel basisscholen, en relatief veel kleine scholen. De gemiddelde schoolgrootte in Fryslân bedraagt 128 leerlingen en is al jarenlang het laagste van Nederland (landelijk 217 ). Zo’n 165 scholen hebben minder dan 75 leerlingen; 80 daarvan zelfs minder dan 50 leerlingen. In totaal ligt bij ongeveer 80 scholen het leerlingaantal onder de opheffingsnorm. Hoofdzakelijk gaat het om scholen met minder dan 50 leerlingen maar toch ook wel enkele grotere scholen. De opheffingsnormen verschillen overigens per gemeente.

 

Figuur 2.5.1.       Ontwikkeling aantal basisscholen en gemiddeld aantal kinderen per basisschool. Een 13-tal nevenvestigingen ontbreken in deze cijfers

Wat betreft de kwaliteit van het primaire onderwijs kijken we naar het aantal (zeer) zwakke scholen en het aantal drietalige basisscholen. Fryslân kent per 1-10-2014 16 zwakke scholen en 1 zeer zwakke school. Relatief gezien gaat het daarmee om respectievelijk 1,7% en 0,2% van de basisscholen. Daarmee ligt het percentage zwakke scholen iets onder het landelijk gemiddelde van 2%. Het percentage zeer zwakke scholen komt overeen met het landelijk gemiddelde. In 2014 heeft 1 Friese basisschool het predicaat “excellente” school gekregen. Het aantal drietalige basisscholen ligt per oktober 2014 op 64 en het aantal twee- of Friestalige kindercentra staat op 166.

Figuur 2.5.2. Ontwikkeling aantal (zeer) zwakke scholen in Fryslân

De ontwikkeling van het basisonderwijs

Het aantal basisscholen (inclusief nevenvestigingen) is sinds 2004 geleidelijk aan het afnemen van meer dan 500 in 2004 tot 458 in 2014. Beseft dient te worden dat dit een saldo betreft en dat het werkelijk aantal opgeheven scholen hoger ligt. Incidenteel worden ook wel nieuwe schoolgebouwen geopend, vaak fusiescholen of samenwerkingsscholen die samen een nieuw gebouw betrekken. Slechts in enkele gevallen is dit als een echt nieuwe school te typeren. In totaal zijn er in de periode 2003-2014 ruim 60 basisscholen gesloten. Het tempo van sluiting lag tot 2009 op twee tot drie scholen per jaar, daarna enkele jaren gemiddeld vijf scholen per jaar, maar in 2013 en 2014 zagen we respectievelijk 12 en 13 sluitingen.  Driekwart van de opgeheven scholen stonden in de kleinere kernen. Iets meer dan de helft van de gesloten scholen was openbaar en bijna een derde deel had protestants-christelijke signatuur. De gemiddelde schoolgrootte blijft redelijk stabiel op circa 125 tot 130 leerlingen.

Fryslân kende 2008-2009 relatief veel zeer zwakke basisscholen. Deze achterstand is de afgelopen jaren fors ingelopen. Het percentage zwakke en zeer zwakke basisscholen daalde in Fryslân tussen 2008 en 2013 van respectievelijk 14% naar 1,7% en van 6% naar 0,2%. Deze afnames zijn groter dan de landelijke daling. Het predicaat excellente school wordt pas sinds 2012 uitgedeeld. In 2012 hebben 3 scholen deze benoeming gekregen, in 2013 twee en in 2014 één school. Het aantal drietalige basisscholen is (mede als gevolg van het beleid van de provincie) in de periode 2003-2014 van 7 naar 64 gestegen. Het aantal twee- en Friestalige kindercentra steeg in dezelfde periode van 33 naar 166. De jaarlijkse groei ligt daarmee gemiddeld op meer dan twintig.

De toekomst van het basisonderwijs

Het aantal basisschoolleerlingen zal tussen 2014 en 2020 nog met circa 4.500 leerlingen afnemen tot een niveau van 58.000 leerlingen (een daling van 7%). Het lijkt daarom onvermijdelijk dat het aantal scholen de komende jaren nog verder zal dalen en wellicht ook in een hoger tempo dan afgelopen jaren. Een afname van het aantal scholen met nog eens honderd scholen is zeker niet uit te sluiten. Het aantal kleine scholen dat onder de opheffingsnorm zit is immers groot. De percentages zwakke en zeer zwakke scholen zijn de afgelopen jaren door inspanning van de schoolteams, de schoolbesturen en de inspectie van het onderwijs gedaald.

Bronnen

  • Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)
  • Onderwijsinspectie 2014, overzicht (zeer) zwakke basisscholen 2008-2013
  • Onderwijsverslag 2012/2013, Onderwijsinspectie
  • Cedin – Taalsintrum Frysk, drietalige basisscholen (3ts)
  • Sintrum foar Frysktalige Berne Opfang (SFBO), Friestalige kindercentra

Meer grafieken

2.6. Voortgezet onderwijs

Het voortgezet onderwijs (VO) vormt de opstap naar een uiteindelijke beroepskeuze. Na het VO kan verder gestudeerd worden op Mbo-niveau (met name voor vmbo’ers) of in het hoger onderwijs (in het algemeen als vervolg op havo en vwo). In navolging van het basisonderwijs krijgt ook het voortgezet onderwijs de komende jaren te maken met dalende leerlingenaantallen. Deze ontgroening heeft gevolgen voor de bereikbaarheid, de spreiding en de kwaliteit van het voortgezet onderwijs in Fryslân. In deze paragraaf gaan we in op de verschillende soorten voortgezet onderwijs alsmede het Mbo.

De staat van het voortgezet onderwijs

Het voortgezet onderwijs is op te splitsen in 4 vormen: praktijkonderwijs, vmbo, havo en vwo. Het praktijkonderwijs leidt leerlingen op voor wonen, werken, burgerschap en vrije tijd, en is bedoeld voor leerlingen voor wie het behalen van een vmbo-diploma te hoog is gegrepen. Binnen het vmbo worden vier leerwegen onderscheiden ter voorbereiding op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Deze leerwegen verschillen vooral in de mate waarin de praktijk een plaats heeft in het onderwijs. Van meest praktisch naar meest theoretisch gerangschikt worden de volgende leerwegen onderscheiden: Basisberoepsgericht (bb), Kaderberoepsgericht (kb), Gemengd (gl) en Theoretisch (tl). Inhoudelijk worden binnen het vmbo vier sectoren onderscheiden: techniek, zorg en welzijn, economie en landbouw. Deze laatste wordt ook wel “groen” genoemd. Globaal gezien is de verdeling van geslaagden op jaarbasis als volgt: 31% van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs volgt de leerweg vmbo bb/kb, eveneens 31% volgt vmbo gl/tl, 25% gaat naar de havo en 16% naar het vwo.

In totaal kent Fryslân in 2014 81 vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs. Hier krijgen circa 40.000 leerlingen onderwijs ingedeeld naar 136 afdelingen. De inspectie beoordeelt jaarlijks voor alle afdelingen in het voortgezet onderwijs de kwaliteit van het onderwijs. Per 1-10-2014 waren er 10 afdelingen als zwak getypeerd (7,5%) en 1 als zeer zwak (0,7%). Landelijk liggen deze percentages iets lager op respectievelijk 7% en 0,3% van de afdelingen. Het betreft vooral vmbo-afdelingen. Algemeen geldt dat scholen/afdelingen met minder dan honderd leerlingen vaker (zeer) zwak zijn dan middelgrote en grote afdelingen. Dit geldt voor alle schoolsoorten, behalve de basisberoepsgerichte leerweg. De afgelopen jaren heeft de inspectie aangegeven dat het relatief hoge percentage zwakke en zeer zwakke afdelingen in de noordelijke provincies waarschijnlijk toe is te schrijven aan de historie van het onderwijs in deze provincies. Daarnaast waren er in deze provincies naar verhouding veel zwakkere basisscholen waardoor niet altijd het maximale uit de kinderen is gehaald en doorstroom naar het VO niet altijd optimaal is geweest. Ook is naar verhouding het aantal havo- en vwo-leerlingen klein waardoor de (financiële) opbrengsten vanuit deze afdelingen dermate laag zijn, dat ze de (extra) kosten van de vmbo-afdelingen niet kunnen compenseren.

Figuur 2.6.1. Ontwikkeling aantal vestigingen voortgezet onderwijs

Het middelbaar beroepsonderwijs (Mbo) kent 2 richtingen: de beroepsbegeleidende leerweg en de beroepsopleidende leerweg. Het meeste onderwijs wordt verzorgd door regionale opleidingscentra (ROC’s) en agrarische onderwijscentra (AOC’s). In Fryslân kennen we eigenlijk twee grote ROC’s (Friese Poort en Friesland College) en 1 AOC (Nordwin College). In totaal hebben deze 3 Mbo-instellingen circa 25 vestigingen in Fryslân, hoofdzakelijk gevestigd in de grotere kernen. In totaal zijn er een kleine 25 duizend leerlingen in het Mbo. Gemiddeld gaat het dan om vestigingen van circa 1.000 leerlingen.

Figuur 2.6.2. Ontwikkeling aantal leerlingen voortgezet onderwijs en Mbo

Figuur 2.6.2. Ontwikkeling aantal leerlingen voortgezet onderwijs en Mbo

De ontwikkeling van het voortgezet onderwijs

Het aantal vestigingen voor voortgezet onderwijs is sinds 2005 met 10 vestigingen toegenomen tot 81 vestigingen in 2014 (voorlopig cijfer). Dit komt waarschijnlijk vooral door de splitsing van locaties in onder- en bovenbouw en/of afzonderlijke afdelingen (bijvoorbeeld havo/vwo apart van vmbo). Voor een deel kan ook de groei van het aantal leerlingen om extra scholen/vestigingen gevraagd hebben. Het aantal leerlingen steeg namelijk in deze periode met bijna 4.000 leerlingen (+11%). Anders dan bij het basisonderwijs heeft de “ontgroening” (c.q. de afname van het aantal geboortes) in het voortgezet onderwijs nog maar weinig invloed gehad. Slechts enkele individuele scholen hebben in recente jaren de eerste tekenen van leerlingenkrimp gezien, vooral in Noordoost Fryslân. We zien vooral een groeiend aantal leerlingen aan de hogere opleidingen (vwo, have en vmbo tl). De meer praktische vmbo-afdelingen (vooral in de techniek) hebben te maken met een dalend aantal leerlingen.

Het aantal (zeer) zwakke afdelingen daalde in Fryslân afgelopen jaren heel snel. In 2012 waren nog 28 afdelingen als zwak of zeer zwak te typeren. In 2014 was dit aantal gedaald tot 11 afdelingen. Scholen en besturen hebben zich met succes ingespannen om te zorgen voor beter onderwijs en betere afstemming tussen basis- en voortgezet onderwijs, onder andere door de Friese Plaatsingswijzer in te voeren. Hierdoor is het probleem van de afstroom in het eerste jaar bij het vwo afgelopen jaren eigenlijk volledig verdwenen en op havo en vmbo tl gehalveerd. Een hogere rendement (minder afhakers) werkt door in het kwaliteitsoordeel van de Onderwijsinspectie.

In het Mbo zien we een zekere stabilisatie van het aantal leerlingen. Het aantal leerlingen ligt ongeveer op hetzelfde niveau als in 2007.

De toekomst van het voortgezet onderwijs

De komende jaren moeten in Friese regio’s rekening worden gehouden met een daling van het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs. Volgens de provinciale bevolkingsprognose van 2013 zal de groep 12 tot en met 18 jarigen in de periode 2015-2025 met zo’n 12% afnemen. Volgens de Leerlingenprognose Voortgezet Onderwijs ligt de verwachte afname van het aantal leerlingen in deze periode zelfs op 17%. Vooral het vmbo bb/kb en het vwo zullen dit gaan merken. Voor het onderwijs is het belangrijk dat in beeld is gebracht waar de grootste afname van het leerlingenaantal wordt verwacht. Dit speelt met name voor het lesaanbod van het vmbo, dat doorgaans de meeste kosten met zich meebrengt. De onderwijsinstellingen in Fryslân moeten in gezamenlijkheid komen tot een plan van aanpak om kwalitatief goed, bereikbaar, duurzaam betaalbaar en goed te organiseren voortgezet onderwijs. De eerste stappen hiervoor zijn binnen de RPO’s (Regionaal Plan Onderwijsvoorzieningen) gezet.

In dit proces zal ook aandacht moeten zijn voor het besef dat het klassieke onderwijssysteem niet langer lijkt aan te sluiten bij de continue veranderingen in het bedrijfsleven, waardoor het onderwijs en het bedrijfsleven onvoldoende op elkaar zijn afgestemd. Door exponentiële ontwikkelingen en een sterk veranderend bedrijfsleven wordt de kloof tussen het onderwijs en het bedrijfsleven steeds groter (zie ook paragraaf aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt). Het gevolg is dat de toch al hoge jeugdwerkloosheid binnen Fryslân verder toeneemt (zie ook paragraaf werkloosheid). Voor de nabije toekomst wordt een ernstig tekort aan gekwalificeerd technisch personeel voorzien. Door het afnemend aantal leerlingen in de sector techniek, stagneert de doorloop naar het Mbo en mag worden verwacht dat vacatures in de toekomst niet meer kunnen worden vervuld.

Ten gevolge van de slechte economische situatie op de arbeidsmarkt is momenteel sprake van een tekort aan stageplaatsen en leerbanen. Hierdoor dreigen veel leerlingen de praktijkcomponent als onderdeel van het opleidingstraject te moeten missen, waardoor geen volwaardig diploma kan worden behaald. Dit speelt ook in de sectoren waar normaal gesproken een tekort aan geschoolde vakmensen is (bouw en installatietechniek).

Bronnen

  • Onderwijsverslag 2012/2013, Onderwijsinspectie
  • Krimp en ontgroening in het voortgezet onderwijs, VO-Raad, oktober 2012

 Meer grafieken

2.7. Hoger onderwijs

In deze paragraaf presenteren we cijfers over het aantal studenten en lectoraten aan de Friese hogescholen. We bekijken de ontwikkeling van de deelname van Friese studenten aan het HBO en WO in vergelijking met de landelijke deelname. Het hoger onderwijs kent met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs geen centraal toezicht via de Onderwijsinspectie. We kijken daarom naar de kwaliteitsbeoordeling zoals die in de Keuzegids HBO naar voren komt.

De staat van het hoger onderwijs

Het aantal studenten aan Friese hogescholen was in 2013 ruim 26.000. De NHL is met 12.196 studenten het grootst, Stenden volgt op korte afstand met bijna 10.500 studenten en Van Hall Larenstein is met bijna 4.300 studenten de kleinste hogeschool in Leeuwarden (zie figuur 2.7.2.). In het aantal lectoraten is er in 2013 een klein verschil tussen de NHL (17 lectoraten) en Stenden (14 lectoraten). Van Hall Larenstein heeft er 9, maar het is niet duidelijk of deze lectoraten geheel of gedeeltelijk in Leeuwarden actief zijn. Een lectoraat heeft veelal een omvang tussen 0,2 en 0,5 fte.

Figuur 3.18 Aantal lectoraten Friese hogescholen

Figuur 2.7.1     Aantal lectoraten Friese hogescholen

Van de Friese leerlingen kiezen relatief veel voor het Hbo als vervolgopleiding en relatief weinig voor het WO. Daarmee is de Friese situatie afwijkend van de landelijke situatie. De deelname aan het Hbo van oorspronkelijk Friese leerlingen lag in 2012 op 27% (3,8% boven het landelijk gemiddelde van 23,2%). Bij het WO was dit percentage 3,1% (bijna 10% onder het landelijk gemiddelde van 12,9%). In totaal ligt het deelnamepercentage aan het hoger onderwijs onder Friese leerlingen dus op 30,1%. Voor Nederland als geheel ligt dit 6% hoger (zie figuur 2.7.3.).

De keuzegids HBO 2015 van het Centrum Hoger Onderwijs Informatie (CHOI) geeft een kwaliteitsbeoordeling van het hoger onderwijs gebaseerd op gegevens uit diverse bronnen.  Daaruit blijkt dat de Hbo-instellingen Stenden en Van Hall Larenstein tot de middenmoot behoren. De Noordelijke Hogeschool Leeuwarden (NHL) is van de middenmoot naar de achterhoede gezakt. Er is ten aanzien van de NHL onvrede over het geringe aantal contacturen, de docenten, het onderwijsprogramma en faciliteiten zoals werkplekken voor zelfstudie. Als we kijken naar het totaaloordeel uitgedrukt in punten, dan liggen de drie Friese Hbo-instellingen relatief dicht bij elkaar.

De ontwikkeling van het hoger onderwijs

Het aantal studenten aan de NHL is sinds 2004 geleidelijk aan met bijna 3.000 studenten toegenomen. Bij Stenden zien we tot 2010 een stijging, gevolgd door een lichte daling tussen 2010 en 2012. In 2013 bereikte Stenden een record in het aantal ingeschreven studenten. In de afgelopen 10 jaar is de groei daarmee uitgekomen op zo’n 2.000 studenten. Van Hall Larenstein maakt weinig ontwikkeling in studentaantallen door. In 2004 lag het aantal studenten op vergelijkbaar niveau als in 2013 (ca. 4.300). In totaal is het totaal aantal studenten aan de Friese Hbo-instellingen sinds 2004 met 4.700 toegenomen.

Het aantal lectoraten is in de periode van 2009 tot 2011 bij alle Friese Hbo-instellingen substantieel toegenomen. In de daarop volgende periode van 2011 tot 2013 zien we bij de drie instellingen een daling, maar minder groot dan de stijging in de jaren daarvoor. De toename tussen 2009 en 2011 wordt veroorzaakt door het feit dat het landelijke beleid met betrekking tot lectoraten in 2008/2009 nog maar kort van kracht was. Gedurende de daarop volgende jaren hebben de onderwijsinstellingen dit beleid naar eigen inzicht nader kunnen uitvoeren. Daarbij hebben de instellingen meer inzicht gekregen in de strategische en operationele waarden van hun lectoraten. Dit heeft in enkele gevallen geleid tot het opstarten van nieuwe lectoraten, het afbouwen van bestaande, het samenvoegen van lectoraten en het aanpassen van de formatie van een lectoraat.

Het deelnamepercentage van Friese leerlingen aan het hoger onderwijs is sinds 2008 weliswaar toegenomen van 29,3% in 2008 tot 30,1% in 2012, maar landelijk was de toename in deze periode groter (van 33,5% naar 36,1%). De Friese achterstand is dus verder opgelopen. Kijken we hierbij afzonderlijk naar Hbo en WO, dan zien we dat de voorsprong die we hadden met betrekking tot het Hbo afgenomen is van 4,8% naar 3,8 % hoger dan het landelijke deelnamepercentage. De achterstand qua aandeel WO’ers is sinds 2008 verder vergroot van een 9,0% lagere deelname naar 9,8% lagere deelname dan landelijk.

 

Figuur 3.19 Ontwikkeling aantal studenten Friese hogescholen.

Figuur 2.7.2      Ontwikkeling aantal studenten Friese hogescholen.

 

Figuur 3.20 Ontwikkeling deelnamepercentage Friese en Nederlandse studenten aan HBO en WO.

Figuur 2.7.3.     Ontwikkeling deelnamepercentage Friese en Nederlandse studenten aan Hbo en WO.

De toekomst van het hoger onderwijs

De toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van het hoger onderwijs zijn met onzekerheden omgeven. Aan de ene kant zijn jongeren in tijden van economische crisis geneigd om verder te studeren. Aan de andere kant is er de afgelopen jaren de nodige kritiek geuit op de waarde van HBO diploma’s die aan studenten van een klein aantal opleidingen zijn uitgereikt. De ontrgroening zal op termijn waarschijnlijk leiden tot een afname van het aantal Nederlandse studenten in het hoger onderwijs. In hoeverre deze afname gecompenseerd zal worden door een toename van buitenlandse studenten is niet eenvoudig te voorspellen. Uit de meest recente analyse van de arbeidsmarkt (ROA, 2013) blijkt dat de instroom vanuit Hbo en WO in de sector techniek zal stijgen. Voor een aantal technische opleidingen zijn

de arbeidsmarktvooruitzichten nog steeds goed tot zeer goed. De vooruitzichten voor de zorgsector zijn minder positief dan twee jaar geleden. Door bezuinigingen neemt het aantal arbeidsplaatsen veel minder toe dan eerder werd verwacht. De realisatie van wetenschappelijke masteropleidingen in Leeuwarden – in het kader van de University Campus Fryslân (UCF) – heeft geresulteerd in drie masteropleidingen en een aantal in voorbereiding. Het kan zijn dat deze ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de deelname van Friese studenten aan het wetenschappelijk onderwijs.

 

Definities en Bronnen

  • Lector: een docent in het Hbo met een speciale onderzoekstaak. De lector vormt een kenniskring van docenten om zich heen en werkt met hen aan onderzoek.
  • CBS, deelname aan Hbo en WO.
  • Dienst Uitvoering Onderwijs (Duo) en jaarverslagen van de instellingen, aantal ingeschreven studenten bij de Friese Hbo-instellingen.
  • Jaarverslagen van de Hbo-instellingen, aantal lectoraten in het Friese Hbo.
  • Keuzegids Hbo voltijd. Centrum Hoger Onderwijs Informatie (CHOI).
  • Researchcentrum Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA), De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2018.

Meer grafieken

 

2.8. Aansluiting onderwijs - arbeidsmarkt

Hoe is het gesteld met de aansluiting van het onderwijs op de Friese arbeidsmarkt? In hoeverre hadden bedrijven/instellingen in 2013 behoefte aan nieuw personeel? Op welk niveau was er sprake van behoefte aan nieuwe instroom en verwachtte men gemakkelijk een geschikte schoolverlater te kunnen vinden? Hoe worden schoolverlaters beoordeeld op vaardigheden? In hoeverre hebben bedrijven/instellingen contact met de onderwijsinstellingen? Om antwoord te kunnen krijgen op deze vragen en hiermee inzicht te krijgen in de aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt zijn aan de jaarlijkse provinciale werkgelegenheidsenquête van 2013 enkele extra vragen toegevoegd. In totaal hebben 3.380 bedrijven/instellingen met personeel de vragen beantwoord. Uitkomsten worden in dit hoofdstuk beknopt weergegeven.

De staat van de aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt

Halverwege 2013 had 80% van de bedrijven/instellingen geen behoefte aan nieuwe instroom. Bij 10% was er behoefte aan personeel met werkervaring, 3% had behoefte aan schoolverlaters en 4% behoefte aan instroom van zowel schoolverlaters als personeel met werkervaring. Er was voornamelijk behoefte aan instroom op MBO niveau (49%) en hbo niveau (34%). 13% gaf aan behoefte te hebben aan personeel op vmbo niveau en 4% aan instroom op wo niveau. Van de bedrijven/instellingen die behoefte hadden aan nieuwe instroom verwachtte 65% gemakkelijk een sollicitant te vinden met de gevraagde diploma’s en 57% verwachtte een geschikte kandidaat te vinden. Die verwachting kent geen significant verschil tussen schoolverlaters en personeel met werkervaring.

In 2012 heeft 15% van de Friese bedrijven/instellingen een of meer schoolverlaters in dienst genomen (uitzendkrachten en leerbanen niet meegerekend). De aansluiting van de kennis en vaardigheden van de laatst in dienst genomen schoolverlater op zijn of haar functie wordt gemiddeld met een 6,8 beoordeeld. De waardering naar onderwijsniveau is verschillend. De aansluiting van kennis en vaardigheden van een schoolverlater van het vmbo wordt met gemiddeld 6,2 het laagst beoordeeld. Aansluiting vanaf het mbo wordt beoordeeld met een 6,7. Het hbo en wo krijgen met 7,2 de hoogste waardering op de aansluiting van kennis en vaardigheden van de schoolverlater op de functie. Tevens is gevraagd de schoolverlaters op een aantal vaardigheden te beoordelen.

Figuur 2.8.1.      Beoordeling kennis en vaardigheden schoolverlaters door bedrijven en instellingen

Het meest tevreden zijn bedrijven/instellingen over de ICT vaardigheden, de inzet/motivatie en de sociale vaardigheden van de schoolverlater. De inzet/motivatie wordt zelfs door 30% als meer dan voldoende toereikend beoordeeld. Minder vaak is men tevreden over de vakkennis, zelfstandigheid en analytische vaardigheden van de schoolverlater. Ruim een op de vijf bedrijven/instellingen beoordeelt deze vaardigheden als onvoldoende.

Schoolverlaters op vmbo en mbo niveau worden relatief vaker onvoldoende op de vaardigheden beoordeeld dan schoolverlaters op hbo/wo niveau. De mate waarin schoolverlaters onvoldoende beoordeeld worden is binnen het onderwijs en de zorg beduidend lager dan in de andere sectoren. Bedrijven/instellingen in sectoren die minder vaak onvoldoende scoren hebben relatief vaak meest hoger opgeleiden in dienst, terwijl bedrijven/instellingen in de sectoren met relatief vaak een onvoldoende beoordeling vaak meest lager opgeleiden in dienst hebben.

Figuur 2.8.2.      Contacten met het onderwijs naar niveau

Bedrijven/instellingen hebben de meeste contacten met het onderwijs op mbo niveau (30%). Daarnaast geeft 14% aan de meeste contacten op hbo niveau- en 11% op vmbo niveau te hebben. Voor 2% van de bedrijven/instellingen geldt dat de meeste contacten op WO-niveau zijn. De grootste groep (43%) geeft echter aan geen direct contact met het onderwijs te hebben. Naast (uiteraard) het onderwijs zelf is het aandeel bedrijven/instellingen dat contacten heeft met het onderwijs binnen de industrie en de gezondheidszorg het hoogst. Binnen de vervoerssector en de horeca heeft minder dan de helft van de bedrijven contacten met het onderwijs. Met uitzondering van de onderwijssector geldt voor alle sectoren dat de meeste contacten op mbo niveau plaatsvinden. Bedrijven binnen de industrie en bouw geven relatief vaak aan dat de meeste contacten op vmbo niveau plaatsvinden. Contacten tussen een bedrijf/instelling en het onderwijs gaan vooral over stages en/of leerbanen. Bij 12% van de bedrijven/instellingen die contact met het onderwijs hebben gaat dit contact (ook) over onderzoeksopdrachten. Andere contactvormen zijn bij minder van 10% van de bedrijven/instellingen van toepassing.

Landelijk onderzoek geeft een beeld van de aansluiting vanuit de student/scholier geredeneerd. In 2013 vond slechts 37% van de gediplomeerde uitstroom dat de gevolgde opleiding een goede basis biedt om te starten op de arbeidsmarkt. Dit oordeel verschilt per onderwijsniveau. Van de VMBO gediplomeerden vindt 26% de opleiding een goede basis om te starten op de arbeidsmarkt. Bij gediplomeerde Mbo’ers ligt dit percentage op 41% en bij hbo’ers op 46%. Aanvullend onderzoek onder Mbo’ers toont aan dat 79% van de Friese Mbo’ers tevreden is over de aansluiting tussen het onderwijs en het werk. Dit percentage is gelijk aan het landelijk gemiddelde. Het percentage Friese Mbo’ers dat tevreden is over de huidige functie (72%) en dat tevreden is over de carrièremogelijkheden (52%) ligt wat hoger dan het landelijk gemiddelde.

Bronnen

  • Werkgelegenheid Fryslân, uitkomst werkgelegenheidsonderzoek 2013. Provincie Fryslân.
  • Regionale verschillen in de arbeidsmarktpositie van Mbo-gediplomeerden. Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt/ROA.
  • Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt 2013. Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt/ROA.