1.1. Bevolking

Fryslân kenmerkt zich door een – voor Nederland unieke – gelaagdheid en spreiding van steden, regionale centra en kleinere kernen. De provincie als geheel heeft te maken met stagnatie in de bevolkingsgroei en demografische veranderingsprocessen zoals ontgroening en vergrijzing. De regio’s Noordoost Fryslân en Noordwest Fryslân staan aan de vooravond van structurele bevolkingskrimp.

De staat van de bevolking

Begin 2014 had Fryslân 646.317 inwoners. Dit is 3,8% van de bijna 17 miljoen Nederlanders. Hiervan woont zo’n 30% in de vier grootste steden (Leeuwarden, Drachten, Sneek en Heerenveen) en 7,5% in de 230 kernen kleiner dan 500 inwoners. Op dit moment is Fryslân één van de meest vergrijsde provincies van Nederland. Circa 115.000 Friezen hebben een leeftijd van 65 jaar of ouder. Dit is 18,9% van de inwoners. Landelijk ligt dit percentage op 17,9%. Regionaal gezien zijn de Waddeneilanden het meest vergrijsd met 20,7% 65-plussers. Zuidoost Fryslân volgt met 19,9%, daarna Zuidwest Fryslân (19,6%), Noordoost (18,9%) en Noordwest Fryslân (17,5% totaal, zonder Leeuwarden 19,0%).

Figuur 1.1.1.        Prognose bevolkingsgroei Fryslân 2012-2012

Bekijk figuur op Streekniveau in de Databank 

De ontwikkeling van de bevolking

Sinds 2002 is het aantal inwoners van Fryslân met ruim 11.000 personen toegenomen (een groei van 1,7%). Toch neemt niet elk jaar het aantal inwoners toe. In 2012 is het inwonertal met 68 afgenomen, vooral vanwege minder geboorten dan gemiddeld: vanwege de crisis stellen mensen hun kinderwens uit. In 2005 en 2006 is het inwonertal eveneens afgenomen. Dit had toen te maken met de relatief grote uitstroom van asielzoekers. Regionaal en lokaal verschilt de bevolkingsontwikkeling. In 2012 hebben 18 van de 27 gemeenten het aantal inwoners zien afnemen. Over de periode 2003-2012 is in 13 van de 27 gemeenten een afname van het inwonertal te zien. Op een lager schaalniveau is in meer dan de helft van de kernen (58%) het inwonertal sinds 2003 gedaald (verspreid over alle gemeenten). Naar verhouding betreft het wat meer de kleinere kernen. De grootste groei kenden de gemeenten Leeuwarden (5,3%), Lemsterland (4,7%) en Heerenveen (4,1%).

Daarnaast is het aandeel 65-plussers in Fryslân gestegen van 14,4% in 2002 tot 17,7% in 2012. Het aandeel jongeren (tot 25 jaar) nam af van 25,5% in 2002 naar 24,0% in 2012. (Figuur 1.2.)

Figuur 1.1.2. Prognose ontwikkeling leeftijdsgroepen Fryslân 1998-2040

De toekomst van de bevolking

Tot 2022 zal Fryslân er naar verwachting nog 6.000 inwoners (1% groei) bij krijgen, voornamelijk uit natuurlijke aanwas. Rond 2025 zal het geboorteoverschot omslaan in een sterfteoverschot. De bevolkingsgroei komt in circa een derde van de gemeenten terecht, met name de wat grotere, meer stedelijke gemeenten en kernen. In de kleinere kernen zal het aantal inwoners gaan afnemen. Het gaat met name om kernen in de plattelandsgemeenten in het noorden van  Fryslân, de Waddeneilanden en Zuidoost Fryslân.

Er wordt op landelijk niveau momenteel gediscussieerd over een herijking van de aangewezen anticipeer- en krimpregio’s. De Waddeneilanden en Zuidoost Fryslân lijken in die discussie nu ook aangewezen te worden als anticipeerregio. Het Team Midterm Review Bevolkingsdaling had in haar rapport “Grenzen aan de krimp” het kabinet zelfs geadviseerd om ook van Zuidoost Fryslân een krimpregio te maken, maar aangezien er geen extra middelen beschikbaar komen voor “krimp” lijkt het kabinet dit advies naast zich neer te leggen.

Bronnen

  • CBS Bevolkingsstatistiek
  • Prognose  Fryslân 2013, Provincie Fryslân
  • Grenzen aan de Krimp, Team Midterm Review Bevolkingsdaling, okt. 2014

Meer grafieken

1.2. Huishoudens

Personen vormen in hun eentje of samen huishoudens. Ook in de samenstelling van huishoudens treden, soms grote, ontwikkelingen op. Naast processen als vergrijzing en ontgroening is er ook sprake van een proces van individualisering. De gemiddelde omvang van huishoudens neemt steeds verder af. Deels is dit het gevolg van het ouder worden van de bevolking, maar ook deels doordat mensen minder vaak langdurige relaties aangaan en/of in stand houden. Aantal, type, omvang en leeftijd van de huishoudens bepaalt mede de vraag naar woningen. Zowel wat betreft het aantal woningen als wat betreft het type woningen.

De staat van de huishoudens

Begin 2013 kende Fryslân 285.063 particuliere huishoudens. Dit is 3,7% van de circa 7,5 miljoen huishoudens in Nederland. Bijna 34% van de Friese huishoudens woont in de 4 grootste steden (Leeuwarden, Drachten, Heerenveen en Sneek), 6,7% van de huishoudens woont in de 226 kernen met minder dan 500 inwoners. Naast de particuliere huishoudens zijn er ook nog circa 8.600 institutionele huishoudens. Dit zijn vooral alleenstaande huishoudens in verzorgings- en verpleeghuizen en soortgelijke intramurale instellingen.

Van de Friese particuliere huishoudens is 34,4% alleenstaand (absoluut gaat het om ruim 98 duizend huishoudens), 32% is samenwonend zonder (inwonende) kinderen (89.900 huishoudens) en 28% is samenwonend met (inwonende) kinderen (80.250 huishoudens). Het gemiddeld aantal personen per huishouden lag in 2013 in Fryslân op 2,27, vrijwel gelijk aan het landelijke 2,22. Binnen Fryslân verschilt de gemiddelde huishoudensgrootte. In Noordoost is het gemiddelde het hoogst met 2,43, in Zuidwest en Noordwest (exclusief Leeuwarden) ligt het op 2,35/2,34, in Zuidoost 2,30 en op de Waddeneilanden is het regionaal gezien het laagst met 2,15.

 

Figuur 1.2.1.        Prognose ontwikkeling huishoudens nar leeftijd 1998-2040

Figuur 1.2.1. Prognose ontwikkeling huishoudens naar leeftijd 1998-2040

De ontwikkeling van de huishoudens

In het beeld van de huishoudens zien we twee ontwikkelingen terug. In algemene zin is er een tendens van individualisering. Jongeren kiezen vaker en langer dan voorheen voor de vrijheid die het ‘single’ zijn met zich meebrengt. Ook relaties zijn minder stabiel dan vroeger. Dit zorgt voor een toename van het aantal alleenstaande huishoudens en het aantal 1-ouder huishoudens. De tweede ontwikkeling is de vergrijzing. De Friese bevolking wordt gemiddeld steeds ouder. Dit verklaart de afname van het aantal gezinnen met (inwonende) kinderen, de toename in het aantal samenwonende stellen zonder kinderen (de zogenaamde empty-nesters waarbij de kinderen al op zichzelf wonen) en de toename van het aantal alleenstaande ouderen.

De gemiddelde huishoudensgrootte lag in 2004 in Fryslân op 2,36 en liep terug tot 2,27 in 2013 (in Nederland van 2,31 in 2004 naar 2,22 in 2013). Juist vanwege deze individualisering en gezinsverdunning zal het aantal huishoudens in Fryslân voorlopig nog niet gaan afnemen. Tussen 2004 en 2013 is het aantal huishoudens met 4,7% toegenomen. Voor de periode 2013-2022 wordt een groei van 4,6% verwacht. Deze groei zal in de toekomst wel afnemen. Vanaf 2032 zal er provinciaal gezien geen huishoudensgroei meer zijn. Regionaal en lokaal verschilt deze ontwikkeling aanzienlijk. In Noordoost ligt het omslagpunt van structurele groei naar structurele krimp van het aantal huishoudens al rond 2017. Ook de Waddeneilanden en gemeenten in Noordwest kunnen er rond 2020 al mee te maken krijgen.

Figuur 1.2.2. Prognose ontwikkeling huishoudens naar type 1998-2030

De toekomst van de huishoudens

De verwachte groei van het aantal particuliere huishoudens is mede afhankelijk van de verwachte voortzetting van de gezinsverdunning en individualisering, maar ook van de mate waarin de beoogde extramuralisering in de praktijk tot stand komt. De kabinetsplannen rondom de gewijzigde indicatiestelling worden in 2015 en 2016 gefaseerd doorgevoerd onder nieuwe cliënten. Ze hebben tot gevolg dat mensen die voorheen een indicatie gekregen zouden hebben in zorgzwaartepakketten 3 en 4 – en daarmee recht hadden op ‘verblijf met (intensieve) zorg (en begeleiding)’-  volgens de nieuwe maatstaven enkel nog een indicatiestelling kunnen krijgen voor extramurale zorg en ondersteuning. Dat betekent dus dat deze groepen in hun eigen huis moeten blijven wonen en daar via thuiszorg in hun zorgbehoefte moeten voorzien. Dat vraagt om aanpassingen in de woning, maar ook om beschikbaarheid van voorzieningen en thuiszorg. Als niet aan deze voorwaarden voldaan kan worden en het proces van extramuralisering in de praktijk minder sterk doorzet dan verwacht, betekent dit dat de behoefte aan extra woningen lager uit zal vallen en er dus op eerder moment al sprake kan zijn van een afname van het aantal huishoudens dat op de woningvoorraad is aangewezen. Op gemeentelijke schaal kan dit behoorlijke impact hebben. Overigens zal in relatieve zin het aantal indicaties voor intramuraal “verblijf met zorg” dus afnemen, maar zal dit in absolute zin naar verloop van tijd wel weer gaan toenemen. De groep babyboomers die over enkele jaren de leeftijd bereikt waarop de zorgbehoefte groter wordt, is zo groot dat de vraag naar intramurale huisvesting het huidge aanbod gaat overtreffen.

Definities en bronnen

  • Extramuralisering = het streven om buiten de muren van een intramurale instelling (waar iemand opgenomen wordt) gelijkwaardige zorg te bieden, bijvoorbeeld in de eigen woning (thuiszorg). Steeds vaker willen ouderen, die behoefte hebben aan (intensieve) verzorging of verpleging zelfstandig blijven wonen.
  • Zorgzwaartepakket = Ouderen of mensen met een langdurige ziekte of handicap kunnen niet altijd zelfstandig wonen. De zorg die zij (vanuit de AWBZ) nodig hebben, wordt beschreven in een zorgzwaartepakket (ZZP). Er worden  Een indicatie voor ZZP 3 geeft aan dat de client in aanmerking komt voor beschut wonen met begeleiding en intensieve verzorging. ZZP 4
  • CBS huishoudensstatistiek
  • Provincie Fryslân, Prognose Fryslân 2013

Meer grafieken