6.1 Biodiversiteit en ecologische voetafdruk

Om een samenvattend beeld te geven van de toestand van natuur, milieu en duurzaamheid wordt stil gestaan bij een drietal indicatoren:

  • de ontwikkeling van de totale hoeveelheid biodiversiteit in Fryslân (weergegeven als het product van de oppervlakte natuur en de kwaliteit ervan),
  • de ontwikkeling van de populatieomvang van soorten van de Rode Lijst in Fryslân,
  • de ecologische voetafdruk.

In de paragraaf Natuur wordt per hoofdnatuurtype stil gestaan bij ontwikkeling van de oppervlakte natuur en de natuurkwaliteit.

De staat van de biodiversiteit en ecologische voetafdruk

Een belangrijke indicator voor de toestand van de Friese natuur is de biodiversiteit in Fryslân. Hiervoor is onlangs de natuurwaarde-index ontwikkeld. De totale biodiversiteit, uitgedrukt als som van het product van de oppervlakte natuur en de kwaliteit daarvan, was in 2009 in Fryslân 19%. Dit percentage is de resultante van de vermenigvuldiging van 48% natuurareaal versus 39% natuurkwaliteit. De situatie in Fryslân komt overeen met de landelijke situatie.

Figuur 6.1.1. De biodiversiteit in Friesland als de som van het product van het areaal natuur en de kwaliteit ervan voor de situatie rond 1900, 1960 en 2009 (huidige situatie).

Een andere indicator betreft de populatieomvang van de soorten van de Rode Lijst. Hierbij maken we onderscheid naar de index voor alle Rode Lijst-soorten en de index voor de Bedreigde Rode Lijst-soorten. Bij deze laatste categorie gaat het zowel om bedreigde als om ernstig bedreigde soorten. In 2011 staat de index van de Bedreigde soorten op een waarde van 41%. Dit houdt in dat de populatieomvang van de bedreigde Rode Lijstsoorten nog maar 41% is van het aantal in 1997. Dit is identiek aan de landelijke situatie van een jaar eerder (2010). De index voor de gemiddelde omvang van alle Rode Lijstsoorten staat in 2011 op 43% (niet in een figuur weergegeven). Deze index is fors lager dan de Nederlandse situatie. Landelijk ligt deze index in 2010 op 71%. Ter vergelijking is ook de index voor de populatieomvang van alle soorten die in de meetnetten zijn aangetroffen in beeld gebracht. In Fryslân staat de index op iets minder dan 80%. Landelijk is dit 104%.

Figuur 6.1.2. Ontwikkeling populatie alle bedreigde rode lijst-soorten

Figuur 6.1.2. Ontwikkeling populatie alle bedreigde rode lijst-soorten

De ecologische voetafdruk is een maat voor de hoeveelheid ruimte die nodig is voor de productie van wat we gebruiken en de opname van de CO2 die we uitstoten. Deze maat wordt uitgedrukt in mondiale hectare (gha). Bij een duurzame verdeling is per mens wereldwijd 1,8 gha beschikbaar. Ligt de voetafdruk hoger dan vragen we als mensheid meer dan er is, en teren we in op de reserves van de aarde (qua hulpbronnen). De indicator wordt vaak gekoppeld aan de beschikbare biodiversiteit en wordt daarom ook wel als indicator voor duurzaamheid beschouwd. De ecologische voetafdruk onder Friezen van 25 jaar en ouder ligt in 2012 op 4,25 hectare. Vergeleken met de voetafdrukken die WWF regelmatig mondiaal uitvoert liggen deze scores volgens de Kleine Aarde-methodiek lager. De laatste meting van het WWF voor Nederland had betrekking op het jaar 2008. De voetafdruk van Nederland lag toen met 6,31 beduidend hoger dan de Friese score. Nederland valt met een voetafdruk van 6,31 in de top 15 van landen met grootste voetafdruk. Wereldwijd lag het gemiddelde op 2,7 gha, daarmee ook boven de 1,8 gha die beschikbaar is. Het verschil tussen beide methodieken wordt onder meer verklaard doordat de WWF-methodiek gebaseerd is op nationale kengetallen en de methodiek van De Kleine Aarde op een enquête onder burgers.

Figuur 6.1.2. Ontwikkeling ecologische voetafdruk Fryslân en Nederland

De ontwikkeling van de biodiversiteit en ecologische voetafdruk

De totale biodiversiteit van Fryslân is teruggelopen van 53% in 1900, naar 33% halverwege de twintigste eeuw tot 19% in de huidige situatie. Deze resultaten komen overeen met de landelijke cijfers. De gemiddelde populatieontwikkeling van alle Rode Lijstsoorten samen laat sinds 1997 in Fryslân een geleidelijke daling zien tot 43% van de situatie van 1997. De Bedreigde Rode Lijstsoorten laten een nog iets grotere daling zien. De populatie-omvang van deze groep van soorten is in 2011 afgenomen tot circa 40% ten opzichte van 1997. Voor de populatieomvang van alle soorten die in de meetnetten worden aangetroffen is er tot het jaar 2000 een lichte stijging te zien tot 113%, maar daarna daalt de index van alle soorten tot 80% in 2011. In vergelijking met de nationale ontwikkeling doen de Rode Lijstsoorten het iets minder goed in Fryslân, terwijl de (ernstig) bedreigde soorten het juist beter deden in Fryslân, maar dit verschil wordt wel kleiner. Opvallend is verder dat de totale populatieomvang van soorten in onze provincie veel sterker afneemt dan landelijk.

De ecologische voetafdruk nam in Fryslân tussen 2009 en 2011 lichtelijk af. In 2012 is de gemiddelde voetafdruk weer gestegen.

De toekomst van de biodiversiteit en ecologische voetafdruk

De biodiversiteit staat nog steeds onder druk. In 2004 zijn alle bestaande Rode Lijsten herzien en zijn enkele nieuwe Rode Lijstsoorten verschenen. Uit vergelijking van oude en nieuwe lijsten blijkt dat Rode Lijsten het laatste decennium langer en roder worden. Uit recente metingen blijkt dat die ontwikkeling zich voortzet. Oorzaken van achteruitgang zijn slechte ruimte- en milieucondities in de leefgebieden. De meeste doelsoorten (waaronder de Rode Lijstsoorten) worden negatief beïnvloed door één of meerdere ‘drukfactoren’ als vermesting, verdroging, versnippering en een tekort aan geschikt leefgebied.

Met het stijgen van de welvaart van een land neemt de ecologische voetafdruk toe. Met andere woorden: er is een sterk verband tussen het gemiddeld inkomen van de inwoners van een land en de gemiddelde voetafdruk. Het duurzaamheidsbesef neemt echter steeds verder toe, waardoor steeds bewuster om wordt gegaan met de ruimte en het gebruik van hulpbronnen. De verwachting is dat deze samenhang minder sterk zal worden. In 2015 verschijnt weer een nieuwe meting van het WWF en kunnen we zien hoe het er dan voor staat.

Definities en bronnen

  • Alterra Wageningen UR, 1e Concept rapport Biodiversiteitsgraadmeters Friesland.
  • Planbureau voor de Leefomgeving, Compendium voor de Leefomgeving.
  • Friese Milieu Federatie, Monitor Friese voetafdruk.

Meer grafieken

6.2. Natuur

Sinds 1994 geven rijk en provincie uitvoering aan de realisatie van de Ecologische Hoofd Structuur (EHS, oftewel het Natuurnetwerk Nederland). Deze wordt opgebouwd uit bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden op bestaande landbouwgrond, zogenaamde ‘nieuwe natuur’. Agrarisch natuurbeheer (m.n. gericht op weidevogels), is een belangrijk beleidsonderwerp in Fryslân en al meerdere jaren aan grote organisatorische veranderingen onderhevig. Hiervoor kunnen agrariërs binnen daarvoor aangewezen gebieden (grotendeels buiten de EHS), beheersovereenkomsten afsluiten. Ruim 25 jaar vond dit op individuele basis plaats. Sinds 2009 worden de overeenkomsten op basis van collectief beheer door Agrarische Natuur Verenigingen afgesloten. In 2016 (invoering Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer) wordt het agrarisch natuurbeheer verbreed naar meerdere flora- en faunasoorten. In deze paragraaf brengen we ontwikkelingen rondom de EHS en de natuurkwaliteit in beeld aan de hand van de verwerving en inrichting van de EHS en de natuurwaarde-index.

De staat van de natuur

In figuur 6.2.1. is de ontwikkeling van verwerving en inrichting van de EHS aangegeven. In 2014 was ruim 12 duizend hectare EHS verworven. Daarmee was 82% van de beoogde oppervlakte (taakstelling 2014: 14.790 ha) EHS verworven. Naast de oppervlakte van natuurgebieden of van gebieden die met een natuurdoelstelling worden beheerd, is de kwaliteit ervan ook van belang. Daarvoor dient een adequate inrichting van de verworven gebieden, om een goede uitgangssituatie te scheppen voor de beoogde natuurtypen.  In 2014 was 55% van de verworven oppervlakte EHS ingericht. Het gaat om ruim 8.000 hectare.

Figuur 6.2.1. Verwerving en inrichting EHS in Fryslân

De kwaliteit van de natuur wordt gemeten naar het aantal aanwezige soorten en natuurtypen.  De kwaliteit van de Friese natuur als geheel (dus binnen en buiten de EHS), is de laatste decennia sterk gedaald. In figuur 6.2.2. is dit voor de hoofdnatuurtypen (meren en plassen, moeras, heide enz.) op een rij gezet. Daarbij is in percentages de kwaliteit van de natuur afgezet tegen de ingeschatte meest natuurlijke situatie. Daarvoor zijn als indicatoren de kenmerkende soorten en vegetaties van die hoofdnatuurtypen genomen. De zo berekende natuurwaarde-index op de meetjaren 1900, 1960 en 2009 daalt of stijgt bij het respectievelijk verdwijnen of verschijnen van soorten of vegetaties.

Figuur 6.2.2. Natuurwaarde-index van hoofd-natuurtypen in Fryslân, in 1900, 1960 en 2009

De ontwikkeling van de natuur

De aankoop en inrichting van de EHS is het afgelopen decennium gestaag door gegaan. In 2005 was nog maar 47% van de EHS verworven (nu 82%) en slechts 15% ingericht (nu 55%). Deels komt deze procentuele stijging ook voort uit een verlaging van de taakstelling met ruim 1.000 hectare.  In 2005 ging het om een verworven oppervlakte van 7,5 duizend hectare. Daarvan was toen bijna 2.400 hectare ingericht.  In de afgelopen 9 jaar (sinds 2005) is er dus 4,5 duizend hectare EHS verworven en meer dan 5,5 duizend hectare ingericht.

De kwaliteit van de natuur is sinds 1900 over de hele linie achteruitgegaan. Het meeste kwaliteitsverlies heeft zich afgespeeld na 1960. De relatief sterkste achteruitgang heeft plaatsgevonden in de meren en plassen, heide, Waddenzee en (half) natuurlijk grasland. Een scala aan oorzaken ligt hieraan ten grondslag, waarvan milieuverontreiniging, veranderingen van beheer en veranderingen in de waterhuishouding de belangrijkste zijn. Omdat de natuur vaak met enige ‘vertraging’ reageert op genoemde sluipende veranderingen is een frequente meting voor dit onderwerp niet zinvol.

De toekomst van de natuur

De aankoop en inrichting van de EHS gaat weliswaar gestaag door, maar naar verwachting in de nabije toekomst minder snel dan in de voorgaande periode. Het streven is de EHS in 2026 te hebben afgerond. Dat is later dan gepland, daarmee aansluitend op de landelijke ontwikkeling. De kwaliteit van de verworven gebieden is niet alleen afhankelijk van een goede inrichting en beheer van het natuurgebied zelf maar ook van goede randvoorwaarden in de nabije omgeving. Een adequaat beheer van natuurgebieden alleen kan niet altijd opwegen tegen negatieve invloeden van buitenaf, zoals veranderingen in de waterhuishouding en vervuiling. Buiten de EHS zal veel moeite gedaan moeten worden om de kwaliteit van de EHS, en daarmee die van de natuur in Fryslân in het algemeen, toe te laten nemen.

Bronnen

  • EHS: Natuurmeting op kaart – Provincie Fryslân.
  • Planbureau voor de Leefomgeving, Compendium voor de leefomgeving.
  • IMNa, Collectief Weidevogelbeheer.
  • Alterra, Biodiversiteitsgraadmeter Fryslân 2013.

Meer grafieken

6.3. Weidevogels en ganzen

Fryslân is een belangrijke provincie voor broedende weidevogels en overwinterende ganzen. Beide profiteren van het grote aandeel grasland in het landelijk gebied van de provincie. Weidevogels en overwinterende ganzen zijn binnen het provinciale natuurbeleid belangrijke soortgroepen, mede ingegeven door het nakomen van internationale verplichtingen voor bescherming en behoud. Voor weidevogels ligt de nadruk op behoud en verbetering van de stand. De Grutto en Kievit zijn de meest aansprekende weidevogelsoorten. Bij de overwinterende ganzen speelt naast bescherming en behoud ook het beheersbaar houden van schade aan de landbouw. Vooral de meest voorkomende soorten (de Brandgans en Kolgans) zorgen voor de landbouwschade. Andere soorten zorgen relatief voor minder overlast (de Rotgans bijvoorbeeld) of komen haast niet voor in Fryslân (bijvoorbeeld de Rietgans).

De staat van de weidevogels en ganzen

Fryslân herbergt circa 40% van de totale Nederlandse Kievit-, en 18% van de Grutto-broedvogelpopulatie. De laatste schatting van de totale broedpopulatie in Fryslân komt uit 2011, toen de stand van kievit werd geschat op 24.000 – 33.000 broedparen en die van de grutto op 10.000 – 14.000 broedparen. Van de ganzen die in Nederland overwinteren pleistert een belangrijk deel in Fryslân. Exacte aandelen zijn niet te geven, maar naar schatting liggen deze aandelen bij Grauwe gans op 20%, Kolgans 40%, Brandgans 70%, Kleine rietgans 90%. Bij de laatste meting in het winterseizoen 2011-2012 zijn er in Fryslân ongeveer 427 duizend Brandganzen geteld en circa 245 duizend Kolganzen. Van de Kleine rietgans en Grauwe gans zijn respectievelijk circa 23.500 en 36.000 stuks geteld.

De ontwikkeling van de weidevogels en ganzen

Het aantal weidevogels in Nederland en Fryslân neemt al enkele decennia gestaag af. Op de graslanden met een op weidevogels gericht medebeheer en in weidevogel-reservaten is deze afname wat minder sterk dan op de ‘normale’ graslanden. Midden jaren zeventig waren in Fryslân nog rond de 40.000 à 45.000 broedparen Kieviten en circa 55 duizend Grutto’s. In figuur 6.3.1. is een in zijn algemeenheid dalende ontwikkeling te zien die al in de jaren tachtig is ingezet. Vanaf 2009 vlakt de afname in Fryslân weliswaar af, maar zet nog wel door volgens de gegevens van het Weidevogelmeetnet Friesland. De afname van de Grutto is in Fryslân sterker dan in Nederland, bij de Kievit is het andersom.

Figuur 6.3.1.       Ontwikkeling (index) aantal broedparen van kievit, grutto, scholekster en tureluur in Fryslân 1996 – 2013 (1996 = 100)

De aantallen overwinterende ganzen zijn de laatste decennia gestegen, zowel landelijk als in Fryslân. In figuur 6.3.2. zijn van de vier belangrijkste soorten (de Kolgans, Kleine rietgans, Brandgans en Grauwe gans) de maximaal getelde aantallen per winterseizoen weergegeven. De Kolgans en Brandgans zijn verreweg de meest voorkomende ganzen. De getelde aantallen kennen door de jaren heen een grillig verloop. De Kolgans lijkt de laatste twee jaar wat achteruit gegaan te zijn, terwijl de Brandgans in dezelfde periode sterk is toegenomen. De aantallen Grauwe ganzen zijn stabiel gebleven. De Kleine rietgans is de laatste twee winterseizoenen wel afgenomen. Dit als gevolg van de tendens om in hogere aantallen in noordelijkere landen te overwinteren, vermoedelijk door zachtere winters. Bij alle vier beschouwde soorten wordt in Fryslân ongeveer de landelijke trend gevolgd.

Figuur 1.30       Ontwikkeling aantal overwinterende ganzen in Fryslân tijdens de winterseizoenen 2002-2003 tot en met 2011-2012. Weergegeven zijn de maximaal getelde exemplaren per seizoen.

Figuur 6.3.2.       Ontwikkeling aantal overwinterende ganzen in Fryslân tijdens de winterseizoenen 2002/2003 tot en met 2011/2012. Weergegeven zijn de maximaal getelde exemplaren per seizoen.

De toekomst van de weidevogels en ganzen

In de vooruitzichten gaat men uit van een verdere achteruitgang van weidevogels, zowel landelijk als in Fryslân. Hier liggen meerdere oorzaken aan ten grondslag, waarvan het onaantrekkelijker worden van de broedgebieden door intensivering van de landbouw een belangrijke is. Daarentegen worden er ook in de toekomst grote inspanningen gedaan om via agrarisch weidevogelbeheer de achteruitgang van het aantal weidevogels te stoppen en te herstellen. De aantallen overwinterende ganzen zullen zich naar verwachting in de nabije toekomst minimaal op hetzelfde niveau handhaven,  waarbij een verdere toename waarschijnlijk is. In tegenstelling tot de weidevogels profiteren ganzen sterk van voedselrijke, en goed ontwaterde graslanden.

Bronnen

  • SOVON, Weidevogelmeetnet Friesland.
  • Provincie Fryslân, Evaluatie Wurkplan Greidefûgels 2010.
  • SOVON en provincie Fryslân, ganzentellingen.

Meer grafieken

6.4. Landbouw

De landbouw is van oudsher een belangrijke sector in Fryslân. Naast de economische betekenis levert de landbouw ook een belangrijke bijdrage aan het vormgeven van het Friese landschap. Binnen de landbouw is schaalvergroting een proces dat al lang geleden is ingezet en dat de komende jaren onverminderd door zal gaan. Daarnaast staat de verduurzaming van de landbouwsector in de aandacht. Dit uit zich vooral in de opkomst van de biologische landbouw in de laatste decennia.

De staat van de landbouw

Ruim 78% van het landoppervlak van Fryslân bestaat uit landbouwgrond. Binnen de landbouw is de melkveesector veruit het grootst. Van alle landbouwbedrijven (5.500 in 2013) zijn 86% melkveebedrijven, 9% akkerbouwbedrijven 2,3% hokdierbedrijven (overwegend varkenshouderijen en pluimveebedrijven) en 1,3% tuinbouwbedrijven (incl. glastuinbouw). Gemeten naar grondgebruik is 89% van de landbouwgrond in gebruik bij melkveebedrijven, 9,5% bij akkerbouwbedrijven en 1,5% bij de tuinbouw en de intensieve veehouderij. Van alle melkveehouderijen in Nederland is 15% in Fryslân gevestigd. In 2013 werkten er ongeveer 12.150 personen in de Friese landbouw, 5,4% van de totale Friese werkgelegenheid. Inclusief de aanverwante werkgelegenheid in de toelevering en de verwerking en de groothandel komt het aantal werkzame personen in de Friese agrofood-sector uit op ruim 24.500 personen of 11% van de totale werkgelegenheid.

Het aandeel biologische landbouwgrond is ongeveer 2,7%, wat evenveel is als in heel Nederland.Het gaat in 2013 om 133 biologische landbouwbedrijven, waarvan 86 melkveebedrijven, 22 akkerbouwbedrijven en 24 tuinbouwbedrijven. In 2013 hadden ruim 1700 bedrijven (31%) neveninkomsten op het gebied van agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Andere verbredingsactiviteiten zijn agrotoerisme (191 bedrijven), verkoop aan huis (146) en stalling van goederen of dieren (137).

Figuur 6.4.1. Ontwikkeling aantal zeer grote bedrijven naar bedrijfstype

De ontwikkeling van de landbouw

De afgelopen 10 jaar is het aantal bedrijven in de landbouw met 14% afgenomen van 6.400 in 2004 naar 5.500 in 2013. Bij de melkveehouderijen was de afname met 12,5% iets lager. In dezelfde periode is het aantal werkzame personen met 18% gedaald, van 14.800 in 2003 naar 12.150 in 2013. De totale productieomvang van de landbouw is in 10 jaar tijd daarentegen gestegen met 29%. Met name in 2013 heeft er een grote productietoename plaatsgevonden, vooral door een gunstige melkprijsontwikkeling. Hierdoor is de gemiddelde productie per bedrijf in 10 jaar toegenomen met 50%. Voor melkveebedrijven betekent dit dat het gemiddelde aantal melkkoeien per bedrijf is toegenomen van 76 in 2004 naar 97 in 2013. Bij de akkerbouwbedrijven is de gemiddelde bedrijfsgrootte gestegen van 35 ha naar 45 ha. Het aantal zeer grote bedrijven (meer dan 1 miljoen euro SO*) is in de afgelopen 10 jaar met 150% gestegen naar 150 in 2013. Vooral het laatste jaar heeft er een forse toename plaatsgevonden, vooral bij de melkveebedrijven. Verder zijn de intensieve veehouderij en de glastuinbouw relatief sterk vertegenwoordigd bij de zeer grote bedrijven. Deze sectoren zijn in Fryslân niet omvangrijk, maar de afzonderlijke bedrijven daarbinnen zijn wel groot. Het aantal hokdierbedrijven is tussen 2004 en 2013 gedaald van 162 naar 125 (afname van 23%). De gemiddelde productie is in dezelfde periode bijna verdubbeld, vooral ook door een sterke productiestijging in het afgelopen jaar. De groei in de afgelopen 10 jaar komt vooral door een toename van het aantal kippen (+20%), terwijl het aantal varkens iets is afgenomen. Het aantal glastuinbouwbedrijven is afgelopen jaar gedaald van 44 naar 38 terwijl het areaal glas ongeveer gelijk is gebleven. Ook hier geldt dat bedrijven die stoppen, steeds vaker gedwongen door de aanhoudende economische crisis, door andere bedrijven worden overgenomen. Om dezelfde reden is uitbreiding van het areaal glas binnen het glastuinbouwontwikkelingsproject Waddenglas in Sexbierum nog uitgebleven. Het areaal biologische landbouwgrond neemt de laatste jaren langzaam toe, de laatste 10 jaar is er ongeveer 1.250 ha bijgekomen. Het aantal biologische landbouwbedrijven is gegroeid van 128 naar 133 tussen 2004 en 2013.

Figuur 6.4.2. Ontwikkeling areaal biologische landbouw in Fryslân (geen cijfers bekend over 2005-2008).

De toekomst van de landbouw

Schaalvergroting is een proces dat de komende jaren door zal gaan. Er zijn nog veel kleine bedrijven waarvan in de toekomst een aanzienlijk deel waarschijnlijk zal stoppen. De productie van deze bedrijven zal worden overgenomen door de andere bedrijven die daardoor in omvang toenemen. Een belangrijke verandering die er aan zit te komen is het afschaffen van het melkquotum in 2015. De verwachting is dat dit zal leiden tot een forse groei van de melkproductie. Een beperkende factor zal vooral de fosfaatemissie zijn. Uit recent onderzoek blijkt dat binnen de huidige emissiegrenzen op termijn de melkproductie mogelijk tot maximaal 30% kan groeien, deels door een groei van de veestapel en deels door een toename van de melkproductie per koe.

Definities en bronnen

  • Standaardopbrengst (euro SO) = een economische maat voor de omvang van een agrarisch bedrijf.
  • CBS, Landbouwcijfers.
  • Planbureau voor de Leefomgeving, Compendium voor de Leefomgeving, Biologische landbouw.
  • ING Economisch Bureau, Sectoren in economisch perspectief 2013.
  • Accon AVM, Groeikansen melkveehouderij Noord-Nederland binnen milieukaders. Sept. 2014.

Meer grafieken