7.1. Bodemdaling

Bodemdaling is in Fryslân altijd het gevolg van economische activiteiten. Bodemdaling leidt onder meer tot waardeverliezen van onroerend goed (bijvoorbeeld droogvallende funderingen en scheuren in muren), ontwateringsproblemen, verminderde natuur- en milieukwaliteit (kwaliteit oppervlaktewater, CO2-uitstoot, verdroging natuurgebieden). In de komende decennia zal de Friese bodem op verschillende plaatsen (blijven) dalen als gevolg van gaswinning, zoutwinning en/of veenverbranding door grondwaterstandsdaling. Dit laatste noemen we ook wel veenklink. De gevolgen van deze processen komen hieronder aan bod.

De staat van de bodemdaling

Bodemdaling door veenklink speelt in de 85.000 ha van het Lage Midden van Fryslân. Hiervan is 62% landbouwgrond, 17% water en 17% moeras en veenweidenatuur. De bestaande veengrond verteert als gevolg van daling van de grondwaterstand en daardoor blootstelling aan de lucht: de veengrond daalt met het water. De daling van het maaiveld gaat met een snelheid van 0,5 – 1,5 cm per jaar afhankelijk van de gerealiseerde waterpeilen. Naast de bodemdaling leidt dit ook tot verhoogde uitstoot van CO2 en heeft dit een negatief effect op de waterkwaliteit. De uitstoot van CO2 door veenklink is op dit moment 1.500.000 ton per jaar en speelt al vele decennia in de Friese veengebieden (zie ook Duurzame Energie).

Bodemdaling door gaswinning is in Fryslân beperkt tot gaswinningsgebieden van de NAM bij Blije, Ameland, Dongeradeel en Tytjerksteradiel en de winningsgebieden van Vermilion op de Zuidwal (Waddenzee) en bij Lemmer. Zoutwinning vindt plaats in Barradeel: in ruwweg het gebied tussen Franeker, Harlingen, Ried en Tzummarum. Voor gas- en zoutwinning worden op beperkte schaal vergunningen afgegeven. Bodemdaling wordt in de vergunning tot een bepaald niveau toegestaan en moet worden gevolgd. Wanneer de bodemdaling te hard gaat, wordt de mate van winning verminderd. Door dit “hand-aan-de-kraan” principe is de mate van bodemdaling door gas- en zoutwinning goed te sturen.

De ontwikkeling van de bodemdaling

In de afgelopen 10 jaar zijn of worden op kleine schaal aanpassingen van de waterpeilen uitgevoerd in Fryslân om het proces van veenklink te beperken. Dit is dan vooral gericht op het behoud van de weidevogels. De problematiek speelt in alle Nederlandse veengebieden. In de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht worden de waterpeilen met opzet hoog gehouden (vlak onder het maaiveld), waardoor de verteringssnelheid minder dan de helft van de Friese is. Ook in de Noord-Duitse veengebieden worden de waterpeilen vanwege de veenklink veelal hoger gehouden dan in Fryslân.

Figuur 7.1.1.       Prognose bodemdaling 2050 als gevolg van veenklink bij ongewijzigd beleid

De toekomst van de bodemdaling

Bij ongewijzigd beleid zal de jaarlijkse uitstoot van CO2 door veenklink in 2050 naar verwachting zijn afgenomen naar 1,28 miljoen ton per jaar. Dit proces van vertering zal er toe leiden dat het maaiveld op vele plekken met meer dan een meter is gedaald in 2050. Uiteindelijk zal het veen tot op het niveau van het grondwater of van de minerale ondergrond zijn opgebrand, waarna de bodemdaling ter plekke stopt.

Figuur 7.1.2       Prognose NAM bodemdaling in de Friese gaswinningsvelden voor 2050

Bronnen

  • Haskoning, Factsheets veenweidevisie Fryslân 2013.
  • Alterra Wageningen UR, Transparantie effecten Zoutwinning Fryslân.

7.2. Ruimtelijke kwaliteit en erfgoed

Ruimtelijke kwaliteit is een begrip waar geen scherpe definitie voor bestaat. Gangbaar is het begrip te zien als de optelsom van de bouwstenen: gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het gaat dan dus om de waardering voor de functionaliteit, aantrekkelijkheid en duurzaamheid van de ruimte, het landschap en de bebouwde omgeving. De provincie heeft sinds het verschijnen van het Streekplan 2007 grote aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van Fryslân. Daarmee is er ook aandacht voor de bebouwde omgeving en meer specifiek voor de Friese monumenten. Sinds 2012 zijn de provincies verantwoordelijk voor het restaureren van Rijksmonumenten. We beschouwen hieronder de onderhoudstoestand van de rijksmonumenten die geïnspecteerd zijn door de Stichting Monumentenwacht.

De staat van de ruimtelijke kwaliteit en erfgoed

In 2010 is Fryslân door de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap (VNC) uitgeroepen tot mooiste provincie van Nederland. Deze score is gebaseerd op de door deskundigen aangemerkte oppervlakte aan (mooie) cultuurhistorische landschappen, bossen en natuurgebieden. Bijna 73% van het landoppervlak van Fryslân werd hierbij als mooi getypeerd. In figuur 1.7 zijn deze gebieden weergegeven. Met name het noordwestelijk zeekleigebied en de zuidoostelijke hoek van de provincie worden als minder mooi getypeerd. De grote meren, Waddenzee en het IJsselmeer zijn niet meegerekend. Als tweede eindigde de provincie Utrecht met 51% mooi landschap. Het gemiddelde van de twaalf provincies lag op 33%.

Figuur 7.2.1.       Ruimtelijke kwaliteit in Fryslân

In het kader van de Tussenevaluatie van het Streekplan is in 2012 door de Friese Milieu Federatie in opdracht van de provincie onderzoek uitgevoerd naar de beleving van het Friese landschap. De inwoners van Fryslân gaven in dit onderzoek gemiddeld een 8,1 voor de Friese landschappen.

In Fryslân zijn 5.102 cultuurhistorische bouwwerken beschermd, waarvan 4.167 als rijksmonument en 827 als gemeentelijk monument. Daarnaast zijn er nog tal van historische bouwwerken zonder bescherming, waaronder vele in de 42 beschermde stads- en dorpsgezichten. Monumentenwacht Fryslân voert jaarlijks een paar honderd inspecties uit aan rijksmonumenten (circa 10% van de rijksmonumenten). Hierbij wordt gekeken naar de staat van het casco en naar de algemene onderhoudstoestand. In 2014 zijn 467 inspecties aan het casco uitgevoerd en hierbij bleek 51,6% van de casco’s in goede staat,  41,3% in redelijke staat en 7,1% in matig tot slechte staat. Qua algemene onderhoudstoestand was bijna 38% van de 467 geïnspecteerde monumenten in goede staat,  51,6% in redelijke staat en 10,5% matig tot slecht onderhouden. Bedacht dient overigens wel te worden dat niet alle rijksmonumenten aangesloten zijn bij de Monumentenwacht. Met name de onderhoudstoestand van monumenten in particulier bezit (vooral particuliere woningen en boerderijen) is daardoor minder goed in beeld. Steekproeven hebben wel aangetoond dat de monumenten die niet aangesloten zijn over het algemeen in slechtere staat verkeren dan wel aangesloten monumenten. Ook zijn niet-rijksmonumenten over het algemeen slechter onderhouden dan rijksmonumenten.

Figuur 7.2.2. Ontwikkeling aandeel rijksmonumenten met restauratiebehoefte (casco) of achterstallig onderhoud

 

De ontwikkeling van de  ruimtelijke kwaliteit en erfgoed

De verkiezing van mooiste provincie van Nederland is niet eerder uitgevoerd dus er valt geen ontwikkeling te beschrijven. Overigens is de dynamiek qua landschappelijke ontwikkeling beperkt, dus zou Fryslân wellicht bij een meting vijf jaar eerder of later ook wel tot mooiste provincie verkozen zijn/worden. Wat dat betreft valt meer af te leiden uit de ontwikkeling van de waardering van de gemiddelde Fries voor het Friese landschap.

In 2006 en 2012 zijn er onderzoeken uitgevoerd naar de beleving van het Friese landschap. In 2006 was de gemiddelde score met een 6,2 beduidend lager dan de 8,1 in 2012. Tegelijkertijd blijkt echter ook dat 24% van de respondenten het landschap de afgelopen 5 jaar (vóór 2012) minder mooi is gaan vinden tegenover slechts 17% die het mooier is gaan vinden. Hoewel de onderzoeksmethodiek niet precies hetzelfde was, kan de conclusie van de Friese Milieu Federatie wel onderschreven worden dat er iets is veranderd. Voor een belangrijk deel ligt dit in de beleving en bewustwording (Friezen zijn anders naar hun landschap gaan kijken), maar ook voor een deel in dat er bij de ruimtelijke inrichting de laatste jaren toch meer aandacht is geweest voor landschappelijke inpassing van onder meer woningbouw, bedrijfsterreinen en boerderijgebouwen en de realisatie en het beheer van natuur en landschap, aldus de respondenten van het onderzoek.

De onderhoudstoestand van de Friese rijksmonumenten lijkt geleidelijk aan te verbeteren. In figuur 7.2.2. is te zien dat het aandeel inspecties met als eindoordeel ‘matig/slecht’ vanaf 2010 geleidelijk afneemt. Dit geldt zowel voor de casco’s als voor het onderhoud. Daarmee wordt de restauratiebehoefte (van de casco’s) en de opgave rond het achterstallig onderhoud geleidelijk minder, maar deze blijft groot. Te meer daar de karakteristieke gebouwen in particulier bezit over het algemeen slechter zijn onderhouden dan de Rijksmonumenten.

De toekomst van de ruimtelijke kwaliteit en erfgoed

Onduidelijk is wanneer de verkiezing ‘mooiste provincie van Nederland’ herhaald gaat worden, maar bij gelijkblijvende criteria zal Fryslân waarschijnlijk toch weer als beste scoren, gezien ook de voorsprong op nummer twee Utrecht. Uit de uitkomsten van het belevingsonderzoek heeft de Friese Milieu Federatie wel belangrijke risicofactoren benoemd voor de (waardering van de) ruimtelijke kwaliteit. Het gaat om de bouw van woningen, bedrijventerreinen/industrie en wegen en het verdwijnen van natuur en groen. Succesfactoren zijn de realisatie van natuur en groen, goed rekening houden met natuur en landschap en het onderhoud van natuur en landschap. Het verdient volgens de Friese Milieu Federatie aanbeveling om bij de uitvoering van projecten met risico’s voor de ruimtelijke kwaliteit, tegelijkertijd ook aandacht te besteden aan de succesfactoren. Natuurcompensatie en zuinig ruimtegebruik zijn hier voorbeelden van.

Bronnen

  • Nederland van de Kaart, Vereniging Nederlands Cultuurlandschap.
  • Ús Gea in 2012 (analyse landschapsenquête Fryslân), Friese Milieu Federatie.
  • Monumentenmonitor Fryslân, Stichting Monumentenwacht Fryslân.
  • Jaarverslag 2013, Stichting Monumentenwacht Fryslân.

Meer grafieken

7.3. Wonen

Het is zaak dat het woningaanbod kwalitatief en kwantitatief voldoet aan de vraag en daarmee betaalbaar blijft. De betaalbaarheid hangt mede samen met de energielasten die bewoners hebben. Bij steeds verder stijgende energieprijzen, is het energiezuiniger maken van woningen daarom van groot belang. Bovendien kan dit, als het gaat om zonnepanelen, bijdragen aan de doelen van duurzame (decentrale) energieopwekking. Naast de kwaliteit van de woning is ook de kwaliteit van de woonomgeving van belang.

De staat van het wonen

In Fryslân bestaat de woningvoorraad begin 2014 uit circa 284 duizend woningen (Bron: BAG). Om in de vraag te voorzien is volgens de laatste Provinciale Prognose van 2013 komende jaren een jaarlijkse toevoeging aan de woningvoorraad van circa 1.500 woningen gewenst. In 2011 is de woningvoorraad met 1.344 woningen uitgebreid: een groei van 0,5%. Precieze cijfers over recentere jaren zijn niet beschikbaar, maar de verwachting is wel dat dit fors lager ligt. Wel is bekend dat er in 2013  slechts 670 vergunningen voor nieuw te bouwen woningen zijn afgegeven. In voorgaande jaren lag dit aantal vrijwel altijd boven de 1.500. Het merendeel van de verhuizingen vindt binnen de bestaande voorraad plaats, maar we zien een duidelijke neergaande ontwikkeling in het aantal verhuizingen en de doorstroming.

In 2013 zijn er 3.878 woningen in Fryslân verkocht (1,4% van de voorraad). De gemiddelde verkoopprijs lag daarbij op € 169.900. Zo’n € 45.000 lager dan het landelijk gemiddelde van € 227.000. Volgens Funda stonden er begin vierde kwartaal 2014 11.160 woningen te koop. Dit is ongeveer 6% van alle koopwoningen in Fryslân.

Ongeveer één derde van de woningvoorraad is in 2014 voorzien van een energielabel. Het gaat om ruim 95.000 woningen. Hiervan heeft begin 2014 46% een label C of hoger.

De kwaliteit van de woonomgeving is in Fryslân in 2013 gemiddeld met een 7,5 beoordeeld. Landelijk ligt dit cijfer op 7,4.

Figuur 7.3.1.        Ontwikkeling woningvoorraad en prognose woningbehoefte

Figuur 7.3.1. Ontwikkeling woningvoorraad en prognose woningbehoefte

De ontwikkeling van het wonen

De Friese woningvoorraad is in de periode 2002 tot en met 2011 met 6,4% toegenomen (17.100 woningen). Landelijk was de toename 7,4%. We zien een neergaande trend in de netto groei van de woningvoorraad. In 2012/2013 lag de groei naar schatting op circa 700 tot 1.000 woningen per jaar. Enerzijds heeft dit te maken met de economische malaise op de woningmarkt, anderzijds ook met een structurele afname van de bevolkingsgroei en woningbehoefte in Fryslân. Desalniettemin zijn er in afgelopen jaren waarschijnlijk wel iets minder woningen aan de voorraad toegevoegd dan dat er volgens de behoefteprognoses nodig zouden zijn. Gesteld kan worden dat hierdoor enige achterstand is opgelopen.

Figuur 7.3.2.     Ontwikkeling gemiddelde verkoopprijs Fryslân en Nederland

Figuur 7.3.2. Ontwikkeling gemiddelde verkoopprijs Fryslân en Nederland

De gemiddelde verkoopprijs van woningen is tussen 2004 en 2013 met 1,6% afgenomen. Landelijk was er nog een kleine groei van 0,3% te zien in deze periode. Tot 2008 zijn de huizenprijzen decennia lang gestegen. Sinds 2008 is echter sprake van een trendbreuk. Als gevolg van de economische crisis is de gemiddelde verkoopprijs in Fryslân en Nederland steeds verder aan het dalen. In Fryslân lag het gemiddelde in 2013 bijna € 11.000 lager dan de gemiddelde verkoopprijs een jaar eerder. Fryslân volgt hierin de landelijke trend.

Het aantal woningen dat via Funda te koop aan wordt geboden is sinds 2007 in Fryslân meer dan verdubbeld (240% toename). Landelijk was de toename 150%. Deels wordt deze toename veroorzaakt doordat Funda ook aanbod van andere sites is gaan ontsluiten, maar hoofdzakelijk toch doordat het aanbod feitelijk is toegenomen. Woningen raken minder goed verkocht. Ter vergelijk: in 2007 werden nog 7.750 woningen verkocht . Bijna het dubbele van het aantal van 2013. Het aantal woningen dat te koop staat neemt overigens de laatste 2 jaar wel weer af. De crisis heeft hier ook haar invloed.

Sinds 2009 worden de energielabels geregistreerd. In Fryslân heeft 46% van de “gelabelde” woningvoorraad een energielabel C of beter. Dit was 5 jaar geleden nog slechts 27%. De vraag is of dit komt door daadwerkelijk genomen energiemaatregelen, door het toevallig energiezuiniger zijn van de later geregistreerde woningen of doordat woningen pas na de genomen maatregelen geregistreerd worden. Wel zijn er sinds eind 2007 tot en met 2012 ruim 17.500 labelsprongen geregistreerd. Hiervan is bij ongeveer de helft van de woningen een sprong van 2 labels of meer gemaakt.

De waardering voor de kwaliteit van de woonomgeving is aan weinig verandering onderhevig. Ook in 2008 was de gemiddelde score al een 7,5.

Figuur 7.3.3. Verdeling Energielabels ‘gelabelde’ woningen

Figuur 7.3.3. Verdeling Energielabels ‘gelabelde’ woningen

De toekomst van het wonen

Volgens de laatste provinciale prognose zullen nog enkele jaren ongeveer 1.500 woningen per jaar gebouwd moeten worden. Vanaf 2016 zal de woningbehoefte geleidelijk verder afnemen. Hier hebben alle Friese gemeenten mee te maken. Rond 2030 zal er per saldo geen extra vraag naar woningen meer zijn. Regionaal en lokaal verschilt deze ontwikkeling (in navolging van de ontwikkeling van de huishoudens) echter aanzienlijk. Een derde van de Friese gemeenten, met name de waddengemeenten en het noorden van de provincie, zal vóór 2020 al het moment bereiken dat geen uitbreiding van de voorraad meer noodzakelijk is. Ontwikkelingen op de woningmarkt zijn enerzijds afhankelijk van vraag en aanbod, maar ook van het regeringsbeleid rondom bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek en het huurprijsbeleid. De algemene verwachting is dat de woningprijzen nog verder zullen afnemen en zich vervolgens zullen stabiliseren. In krimpgebieden is een scherpere prijsdaling aan de orde. Het aanbod is te groot en kwalitatief minder passend bij de teruglopende vraag. Woningen raken moeilijker verkocht en uiteindelijk kunnen leegstand en verpaupering een neerwaartse spiraal veroorzaken. Indien overigens naar recenter verschenen landelijke woningbehoefteprognoses wordt gekeken (bijvoorbeeld Primos 2013), dan kan de woningbehoefte komende decennia nog wel iets lager uit gaan vallen.

Definities en bronnen

  • BAG = Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Met de invoering van de BAG is de definitie van het begrip woning herzien. Ook wooneenheden in grotere complexen (denk aan verzorgingshuizen en instellingen) worden sindsdien als woningen gezien. Hierdoor is een trendbreuk in de statistieken ontstaan.
  • CBS Statline en Kadaster (verkochte woningen en verkoopprijzen)
  • Provincie Fryslân, Prognose Fryslân 2013 (woningbehoefte)
  • Ministerie van Veiligheid en Justitie en CBS, Veiligheidsmonitor Nederland (kwaliteit woonomgeving).

Meer grafieken

7.4. Bedrijventerreinen

De beschikbaarheid van voldoende bedrijventerreinen is van economisch belang om de groei van werkgelegenheid te stimuleren. Echter, een te groot aanbod aan bedrijventerreinen is niet efficiënt. De laatste decennia zijn er veel bedrijventerreinen in Fryslân bijgekomen. De laatste jaren is het beleid er echter meer op gericht om de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen af te remmen (of zelfs niet meer toe te staan) en op regionale schaal meer afstemming te laten plaatsvinden tussen de gemeentes. Hiertoe zijn vier samenwerkingsregio’s opgericht waarbinnen de gemeenten gezamenlijk afspraken maken over de planning van nieuwe bedrijventerreinen. Deze regio’s komen (vrijwel) overeen met de regio’s van Streekwurk.

De staat van bedrijventerreinen

In totaal heeft Fryslân ongeveer 300 bedrijventerreinen met een totale netto oppervlakte van bijna 3.770 ha. Hiervan is 3.250 ha verkocht en 520 ha nog vrij uitgeefbaar. Zuidoost Fryslân (met Heerenveen en Drachten) heeft met 1.350 ha de grootste oppervlakte aan bedrijventerreinen, gevolgd door Noordwest Fryslân (met Leeuwarden) met ruim 1.000 ha. De grootste uitgeefbare voorraad is eveneens in de regio Zuidoost, hier is ruim 250 ha beschikbaar. De regio Noordwest heeft nog 125 ha en de regio’s Zuidwest en Noordoost respectievelijk 90 ha en 40 ha. Met de vier samenwerkingsregio’s zijn afspraken gemaakt dat een deel van de nog uitgeefbare voorraad niet eerder dan 2020 aan de orde zal zijn.

Figuur 7.4.1.         Voorraad bedrijventerreinen per samenwerkingsregio/streekagenda

De ontwikkeling van bedrijventerreinen

De jaarlijkse vraag naar bedrijventerreinen is gedaald van bijna 90 ha in 2007 naar minder dan 20 ha in 2012. In 2013 is de verkoop voor het eerst sinds 2007 weer gestegen naar 26 ha. Net als in 2012 zijn deze verkopen vrijwel volledig gerealiseerd op het IBF in Heerenveen (regio Zuidoost Fryslân). Daar is in totaal 19 ha verkocht voor de vestiging van twee nieuwe kaasfabrieken. Daar komt nog een derde fabriek bij maar dat wordt in de cijfers van 2014 verwerkt. In alle andere regio’s is de verkoop minimaal geweest.

Figuur 1.10       Ontwikkeling uitgifte bedrijventerreinen per samenwerkingsregio/streekagenda

Figuur 1.10       Ontwikkeling uitgifte bedrijventerreinen per samenwerkingsregio/streekagenda

De toekomst van bedrijventerreinen

Op dit moment is het onduidelijk hoe de vraag naar nieuwe bedrijventerreinen zich de komende jaren zal ontwikkelen. De economie begint weer aan te trekken maar of dit direct zal leiden tot een hogere vraag naar nieuwe bedrijventerreinen is nog niet duidelijk. Enkele jaren geleden werd voor de periode 2010-2020 de vraag naar bedrijventerreinen in Fryslân geraamd op circa 760 ha. Deze raming lijkt nu aan de hoge kant. Op dit moment wordt nieuw onderzoek uitgevoerd naar hoe de vraag naar bedrijventerreinen zich gaan ontwikkelen voor de periode tot 2025. Daarbij komt dat er nog diverse bestaande bedrijventerreinen een opwaardering kunnen krijgen en dat er ook nog diverse bestaande terreinen zijn waar nog voorraad is.  Vermoedelijk kan men dus met de huidige terreinen en de al beoogde nieuwe terreinen in de regionale plannen nog jaren vooruit.

Bronnen

  • IBIS, Provincie Fryslân
  • Friese gemeenten

Meer grafieken