8.1. Jeugdzorg

Bij de grote meerderheid van de jongeren verloopt de opvoeding en ontwikkeling zonder direct aanwijsbare problemen. Voor een deel van de jongeren (circa 15%) is extra zorg nodig. Die wordt geboden door diverse instellingen die gespecialiseerd zijn in jeugdzorg.In de keten van instellingen die aan minderjarigen zorg kunnen verlenen, speelt de jeugdzorg een belangrijke rol. In de politieke discussie over het efficiënt functioneren van de jeugdzorg is het fenomeen wachtlijsten een belangrijk thema, omdat er een breed draagvlak is voor het uitgangspunt dat jongeren met een probleem zo snel mogelijk met een adequate behandeling geholpen moeten worden. Ook is het aantal meldingen van kindermishandeling een belangrijk thema. Dit betreft het aantal eerste contacten van jongeren met tot het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) van Bureau Jeugdzorg. Hierin zijn adviezen, consulten en meldingen voor onderzoek meegenomen. Bureau Jeugdzorg heet met ingang van 1 januari 2015 overigens “Regiecentrum Bescherming en Veiligheid”. Het AMK is verbreed met het thema huiselijk geweld en heet nu Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK).

De staat van de jeugdzorg

Het aantal eerste contacten bij het AMK lag in 2012 op 2.630 eerste contacten. Dit is 1,1% van het aantal Friese kinderen. Landelijk gaat het om 65.340 eerste contacten.

Figuur 8.1.1. Ontwikkeling aantal eerste contacten bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling.

Figuur 8.1.1. Ontwikkeling aantal eerste contacten bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling.

De instellingen die zorg bieden aan jongeren in Fryslân zijn: Kinnik – kind en jeugd GGZ (voorheen GGZ Friesland Jeugd), Accare (met name op het gebied van jeugdpsychiatrie), Tjallingahiem (onlangs opgegaan in Reik), In de Bres en Jeugdhulp Friesland. In 2013 zijn er bij deze instellingen in totaal 22.376 jongeren in behandeling geweest. Kinnik heeft met 38,8% het grootste aantal jeugdigen in behandeling gehad. Daarna volgen Jeugdhulp Friesland en Accare met respectievelijk 25,7% en 24,1% en Tjallingahiem (5,9%) en In de Bres (5,5%).

Circa 1.675 jongeren hebben in 2013 in Fryslân voor jeugdzorg op de wachtlijst gestaan. Als we naar de vijf jeugdinstellingen kijken, dan verschilt het aantal wachtenden ertussen behoorlijk. In figuur 8.1.2. staat per instelling het aantal jeugdigen dat op dat moment langer dan 9 weken op de wachtlijst stond voor de geïndiceerde jeugdzorg. De grafiek wordt enigszins vertekend door het feit dat de instelling Accare in 2008 en 2009 in Fryslân niet actief was. Indien we voor een eerlijker vergelijking per instelling het aantal wachtenden uitdrukken als percentage van het aantal jongeren dat in 2013 in die instellingen in behandeling was, dan heeft  Tjallingahiem met een percentage van 1% de relatief kleinste wachtlijst (meest recente cijfer) gevolgd door Kinnik met 6,2% en Accare met 7,4%. Het aantal wachtenden bij Inde Bres en Jeugdhulp Friesland kom neer op respectievelijk 9,2% en 10,6%.

Figuur 8.1.2. Ontwikkeling wachtlijst jeugdzorg bij de Friese jeugdzorginstellingen. Geen gegevens
beschikbaar van Accare in de jaren 2008/2009 en geen gegevens Kinnik voor 2014

De ontwikkeling van de jeugdzorg

Er valt tussen 2008 en 2011 duidelijk een stijgende lijn te zien in het aantal eerste contacten bij het AMK, van 2.162 in 2008 tot 2.980 in 2011. In 2012 zien we voor het eerst een daling naar 2.630 eerste contacten. De waargenomen stijging tot 2011 hoeft niet op een toename van kindermishandeling te wijzen. Het kan ook zijn dat kindermishandeling vaker wordt gesignaleerd, dat de meldingsbereidheid is toegenomen of dat de AMK’s meer bekendheid genieten. Evenzo hoeft de gesignaleerde daling na 2011 geen werkelijke afname van de kindermishandeling te betekenen.

In de wachtlijsten zien we tussen jaren en kwartalen fluctuaties. Bekijken we deze ontwikkeling vanuit de vijf instellingen, dan treden de fluctuaties vooral op bij Kinnik en Jeugdhulp Fryslân. Het aantal wachtenden bij Tjallingahiem vertoont een systematische afname De totale omvang van de wachtlijst laat over de jaren heen geen systematische reductie zien. Het aantal jeugdigen dat langer dan 9 weken wacht op zorg is in Friesland gestegen van 36 in 2012 naar 52 in 2013.

De toekomst van de jeugdzorg

De wachtlijsten in de jeugdzorg staan al enige jaren in het middelpunt van de publieke belangstelling. Het rijk stelde enkele keren extra geld beschikbaar om de problematiek op te lossen, maar dat had niet helemaal het beoogde effect. Als antwoord hierop is in 2010 in overleg met minister Rouvoet besloten, dat de jeugdzorg zelf mag bepalen dat het soms verantwoord is een kind langer dan negen weken op een wachtlijst te laten staan. Het provinciale jeugdzorgbeleid is inmiddels per 1 januari 2015 overgedragen naar de gemeenten.

Bronnen

Meer grafieken

8.2. Werkloosheid

Werkloosheid is het verschil tussen vraag en aanbod van arbeid. In dit tijdsgewricht neemt de beroepsbevolking licht toe (en daarmee de vraag), terwijl de werkgelegenheid (het aanbod) afneemt. Dit heeft tot gevolg dat de werkloosheid toeneemt. Er worden verschillende bronnen en definities gebruikt voor het begrip werkloosheid. Het UWV hanteert het begrip niet-werkende werkzoekenden (die ingeschreven staan bij het UWV), het CBS gaat uit van werkloze beroepsbevolking. We beschouwen ze hier beide.

De staat van de werkloosheid

In augustus 2014 telde Fryslân volgens het UWV 34.411 niet-werkende werkzoekenden. Dit is 11,5% van de Friese beroepsbevolking. Landelijk was 10,1% van de beroepsbevolking op zoek naar werk. Het werkloosheidspercentage van Fryslân ligt tussen dat van Groningen (13,2%) en Drenthe (11%) in. Binnen Fryslân zijn het met name de gemeenten Achtkarspelen, Harlingen, Heerenveen, Leeuwarden, Smallingerland en Weststellingwerf met een bovengemiddeld percentage niet-werkende werkzoekenden. Smallingerland kent met 16% het hoogste- en Terschelling met 3,1% het laagste percentage werkzoekenden (zie figuur 8.2.1.). Het UWV typeert Fryslân als een zeer ruime arbeidsmarkt.

Indien van de definitie van het CBS uit wordt gegaan dan lag het werkloosheidspercentage in het 3e kwartaal van 2014 op 8,8% in Fryslân. Landelijk was het 8%.

Figuur 8.2.1.       Het percentage niet-werkende werkzoekenden per gemeente als percentage van de beroepsbevolking (stand augustus 2014)

Figuur 8.2.1. Het percentage niet-werkende werkzoekenden per gemeente als percentage van de beroepsbevolking (stand augustus 2014).

Meer dan de helft van de werkzoekenden (52,2%) behoort tot de groep van 27 tot 50-jarigen en 37% van de werkzoekenden is 50-plusser. De groep jongeren (15-27 jaar) had in augustus een aandeel van 10,8% in van alle werkzoekenden. Het aandeel jongere werklozen ligt in Fryslân structureel wat hoger dan landelijk. Landelijk lag het percentage in augustus 2014 op 9,9%. Driekwart van de werkzoekenden is minimaal zes maanden werkloos en 18% is dat nog maar korter dan 3 maanden.

Het aantal ww-uitkeringen dat het UWV verstrekt is met 17.633 uitkeringen ongeveer de helft van het aantal niet-werkende werkzoekenden.  Niet iedere werkzoekende ontvangt een uitkering, maar tegelijkertijd geldt ook dat één persoon wel meerdere ww-uitkeringen kan ontvangen (al zal dit niet op grote schaal het geval zijn).

De ontwikkeling van de werkloosheid

In augustus 2014 telde Fryslân 3.350 meer niet-werkende werkzoekenden dan in augustus 2013: een stijging van 11%. Het aantal werkzoekende jongeren daalde in deze periode met 13%, de groep 27 tot 50-jarigen steeg met 11% en de groep 55-plussers steeg met 20%. Vergeleken met jongeren is de dynamiek van in- en uitstroom bij ouderen laag. Ouderen worden minder snel niet-werkend, maar als ze eenmaal werkloos zijn, komen ze relatief minder gemakkelijk weer aan het werk. We zien dan ook dat het aantal werkloze 50-plussers afgelopen jaren alleen maar toeneemt, terwijl de jongere groepen in 2014 toch weer wat aan het werk zijn gekomen. De dynamiek onder jongeren is het grootst omdat jongeren vaak op basis van tijdelijke contracten werken. Door deze tijdelijke contracten zijn het de jongeren die tijdens economische teruggang eerder hun baan verliezen. Aan de andere kant geldt dat bij een verbetering van de conjunctuur de jongeren als eerste zullen profiteren. Figuur 8.2.2. laat sinds 2008 een duidelijk stijgende lijn zien van het werkloosheidspercentage volgens het CBS. De schommelingen worden veroorzaakt door seizoensinvloeden. Het werkloosheidspercentage lag in het derde kwartaal van 2008 op 3,4% in Fryslân. Inmiddels is dit opgelopen tot 8,8%. Het werkloosheidspercentage ligt in Fryslân structureel hoger dan het landelijk niveau. Alleen voor het derde kwartaal geldt dit minder omdat er dan onder meer sprake is van veel vraag naar arbeid in de toeristische sector.

Figuur 8.2.2.       Ontwikkeling werkloze beroepsbevolking als percentage van de beroepsbevolking in Fryslân en Nederland

Figuur 8.2.2. Ontwikkeling werkloosheidspercentage in Fryslân en Nederland volgens CBS-definitie

De toekomst van de werkloosheid

Het aantal werkzoekenden wordt bepaald door de ontwikkelingen in vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Een groeiende werkgelegenheid leidt tot minder werkzoekenden. Een hoger arbeidsaanbod geeft meer werkzoekenden. In 2015 verbeteren de kansen op werk en kan de arbeidsparticipatie weer groeien. De werkloosheid zal door een licht toenemende arbeidsvraag in 2015 iets gaan dalen.

Definities en bronnen

Meer grafieken

8.3. Inkomen

Deze paragraaf geeft een beeld van de inkomensniveaus in Fryslân en de mate waarin mensen van de bijstand gebruik maken. Wat betreft de inkomens gaat het om cijfers van 2011. Recentere cijfers zijn niet beschikbaar.

De staat van het inkomen

Het inkomensniveau ligt in Fryslân van oudsher onder het landelijk gemiddelde. In 2011 was het gemiddeld besteedbaar inkomen per huishouden in Fryslân € 31.600 en in Nederland € 34.200. Gemeentelijk variëren de gemiddelde inkomens tussen de € 29.200 (Leeuwarden) en € 35.900 (Littenseradiel). In de noordelijke schil zijn de inkomensniveaus gemiddeld wat lager en in de A7-zone en in de buurgemeentes van Leeuwarden wat hoger. Het relatief lage gemiddelde inkomen in Fryslân hangt samen een oververtegenwoordiging van de laagste inkomensgroepen (28% tegenover landelijk 25%) en ondervertegenwoordiging van de hoogste inkomensgroepen (19% tegenover 25% landelijk).

Figuur 8.3.1. Gemiddeld particulier besteedbaar huishoudinkomen per gemeente 2011

Het aantal bijstandsuitkeringen lag in juni 2014 in Fryslân op 16.980 (voorlopig cijfer). Ongeveer 6% van de 285 duizend Friese particuliere huishoudens heeft daarmee een bijstandsuitkering. Landelijk ligt dit percentage iets lager op 5,4%. Per gemeente hangt het percentage huishoudens met een bijstandsuitkering sterk samen met het gemiddelde besteedbaar inkomen van huishoudens. Huishoudens in de noordelijke schil van de provincie (met uitzondering van de Wadden) hebben naar verhouding vaker een bijstandsuitkering dan in het zuiden van de provincie. Het percentage huishoudens met een bijstandsuitkering is in de gemeente Leeuwarden met 9,2% het hoogst. De waddengemeenten kennen de laagst percentages (minder dan 2%).

De ontwikkeling van het inkomen

Het gemiddeld besteedbaar inkomen per huishouden is in de periode 2002-2008 gestegen van € 27.000 naar € 31.800 per huishouden. Als gevolg van de economische crisis is vanaf 2008 een trendbreuk opgetreden en nam het inkomen voor het eerst in decennia af. In 2010 lag het op € 31.400 waarna het in 2011 weer met € 200 toe is genomen. De ontwikkeling van het inkomensniveau in Fryslân blijft achter bij de landelijke ontwikkeling. Het verschil ligt door de jaren heen vrijwel altijd rond € 2.500. In 2009 en 2010 liep het verschil echter op tot € 3.000 maar inmiddels is het weer wat bijgetrokken.

Het aantal bijstandsuitkeringen in Fryslân is tussen begin 2004 en halverwege 2014 met meer dan 33% toegenomen van 12.740 tot bijna 17.000 uitkeringen. Landelijk was deze toename nog geen 15%. Vanaf 2004 is het aantal uitkeringen afgenomen, maar zowel provinciaal als landelijk is deze afname in 2009 omgeslagen in een toename. Tot en met 2010 gingen de provinciale en landelijke trend gelijk op, maar sinds 2011 wordt het verschil groter en neemt het aantal uitkeringen in Fryslân sneller toe. Sinds 2011 is de groei al 31%. Met name in Noordwest en Zuidwest was de toename in de afgelopen 2,5 jaar groter dan gemiddeld (toename respectievelijk 36% en 39%).

Figuur 8.3.2. Ontwikkeling aantal bijstandsuitkeringen (index) Fryslân en Nederland

De toekomst van het inkomen

Het gemiddeld besteedbaar inkomen zal bij aanhoudende zwakke groei en verdere lastenverzwaringen de komende jaren waarschijnlijk verder afnemen, zowel landelijk als provinciaal. In lijn met eerdere ontwikkelingen (2009/2010) kan de provinciale afname in inkomen waarschijnlijk iets groter zijn dan de landelijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling kent ook parallellen met die van de werkloosheid in Fryslân en Nederland. Hier is in de paragraaf werkloosheid op in gegaan.

De ontwikkeling van het aantal bijstandsuitkeringen wordt conjunctureel bepaald, maar de conjunctuurgevoeligheid is minder sterk en direct dan bij bijvoorbeeld het aantal werkloosheidsuitkeringen. Mensen vallen namelijk pas terug op de bijstand als hun recht op WW is opgebruikt. Hierdoor duurt het een tijdje voordat groeiende werkloosheid leidt tot meer bijstandsuitkeringen. Hoewel we dus al een forse stijging zien in het aantal bijstandsuitkeringen, lijkt het einde nog niet zicht. In de uitstroom is wel een direct effect zichtbaar. Zodra iemand een baan vindt, vervalt zijn recht op een bijstandsuitkering. Zolang de economische dip aanhoudt zal het aantal bijstandsuitkeringen stijgen.

Definities en bronnen

  • CBS, Regionaal Inkomens Onderzoek (RIO)
  • CBS, WWB-uitkeringen Wet Werk en Bijstand; uitkeringsgrondslag, regio’s. Per 1-1-2013 is er een trendbreuk opgetreden in de methodiek. In plaats van een registratiemethodiek is het CBS overgestapt op een transactie-methodiek.

Meer grafieken